Wetsvoorstel consumentenkrediet heeft grote (onvoorziene) consequenties

maandag, 9 mei 2011

Ter implementatie van de Europese richtlijn inzake Kredietovereenkomsten voor consumenten (2008/48/EG) heeft de Tweede Kamer onlangs wetsvoorstel 32339 aangenomen. Dit wetsvoorstel heeft als doel de bescherming van de consument tegen ‘overkreditering’, maar heeft een aantal onbedoelde neveneffecten. Zo zullen bedrijven die met hun klanten een betalingsregeling treffen mogelijk een AFM-vergunning moeten hebben, nu zij als kredietverstrekker worden gezien.

Doel wetgeving

Op 23 november 2010 heeft de Tweede Kamer wetsvoorstel 32339 aangenomen. Dit wetsvoorstel beoogt een aantal wijzigingen en nieuwe bepalingen in te voeren ter implementatie van de Europese richtlijn inzake Kredietovereenkomsten. De regels van het wetsvoorstel hebben betrekking op kredietreclame, informatieverstrekking, de beoordeling van de kredietwaardigheid en de inhoud van de kredietovereenkomst. De richtlijn heeft twee doelstellingen. Ten eerste wil de richtlijn bijdragen aan de ‘goede werking van de interne markt’. De verschillen tussen de nationale wetgeving over consumentenkredietovereenkomsten moeten worden opgeheven. Ten tweede wil de richtlijn de consument beschermen bij het sluiten van kredietovereenkomsten, ‘teneinde diens vertrouwen niet te schaden en het vrije verkeer van kredietaanbiedingen voor zowel kredietgevers als kredietnemers optimaal te laten functioneren.’

(Onbedoelde) gevolgen

Dit wetsvoorstel heeft mogelijk grote (onbedoelde) consequenties voor het bedrijfsleven en heeft ondertussen al meerdere negatieve reacties ontlokt. Het belangrijkste gevolg van dit wetsvoorstel is dat ondernemingen als kredietverstrekker worden gezien, wanneer zij een klant een betalingsregeling (of uitstel van betaling) aanbieden. Kredietverstrekkers in Nederland dienen een vergunning van de AFM te hebben. Verkrijging van een dergelijke vergunning is een moeizaam proces. Ondernemingen dienen te zijn aangesloten bij een geschillencommissie, werknemers dienen over de vereiste diploma’s te beschikken, bij klanten dient een kredietwaardigheidstest te worden afgenomen en de rentevergoedingen die kunnen worden gevraagd zijn aan een maximum gebonden. Dit alles gaat gepaard met een zware administratieve last voor de ondernemingen.

In het wetsvoorstel (TK, 2009-2010, 32339, nr .2, p. 2) staat de volgende definitie van een ‘kredietovereenkomst’:

‘een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleend of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten respectievelijk goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt’

Het is nog maar de vraag wat de exacte strekking van bovengenoemde uitzondering is. Valt hier bijvoorbeeld ook de dienstverlening van een advocaat of accountant onder die tussentijdse declaraties stuurt? In ieder geval is er een probleem bij het einde van de opdracht, aangezien er dan geen sprake meer is van een doorlopende dienstverlening.

Reacties

Minister Opstelten (Justitie) heeft als reactie op de negatieve geluiden vanuit het bedrijfsleven geantwoord dat het aanvragen van een vergunning nodig is zodra bedrijven voor de betalingsregeling bijkomende kosten in rekening brengen. Indien er bijkomende kosten in rekening worden gebracht, valt de betalingsregeling onder de reikwijdte van de Wft (Wet op het financieel toezicht). Onder deze bijkomende kosten, wordt zowel bovenwettelijke rente als eventuele andere kosten verstaan. Slechts kredietverlening met een looptijd korter dan drie maanden én waarbij de bijkomende kosten ‘onbetekenend’ zijn, zal mogelijk buiten het bereik van het nieuwe wetsvoorstel vallen. De bijkomende kosten worden als onbetekenend beschouwd wanneer deze slechts een miniem percentage van het krediet behelzen.

Zowel MKB Nederland als hoogleraar bank- en effectenrecht Pim Rank menen dat dit wetsvoorstel de consument niet beschermt, maar juist benadeelt. De consument zal namelijk vaker geconfronteerd worden met een schuld die in één keer door een onderneming zal worden opgeëist. De Consumentenbond vreest dat consumenten door dit wetsvoorstel sneller een BKR-registratie zullen oplopen.

Op dit moment ligt het wetsvoorstel ter goedkeuring bij de Eerste Kamer.