Wet bestuurlijke lus Awb voor het eerst toegepast door de Raad van State

maandag, 28 juni 2010

Op 1 januari jl. is de Wet bestuurlijke lus Awb in werking getreden. De aanleiding tot het invoeren van de Wet bestuurlijke lus was gelegen in de weerbarstige praktijk van de uitvoering van grote en kleine besluiten om te bouwen, om de mobiliteit te vergroten of om de leefkwaliteit te verbeteren. Deze ingrepen in de omgeving leiden vaak tot procedures om de gebreken van besluiten aan het licht te brengen dan wel om besluiten ongedaan te maken. Bij geconstateerde gebreken kon de bestuursrechter voorheen maar één ding: het besluit op basis van de wet in stand laten of het besluit vernietigen.

De vernietiging door de bestuursrechter van besluiten op grond van procedurele en/of rekenfouten is geregeld aan de orde. Vaak zijn de meeste betrokkenen het erover eens dat onvolkomenheden moeten worden weggewerkt. Echter, de procedure om na de vernietiging opnieuw tot een besluit te komen leidt in de regel tot veel vertraging en hoge kosten. Vervolgens was het nog maar de vraag of de nieuwe procedure leidde tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving.

Het spreekt voor zich dat niemand is gebaat bij deze vertraging. Reeds vanaf de jaren negentig klinkt de roep om maatregelen die onnodige tijdverspilling kunnen tegengaan. Het heeft uiteindelijk echter tot 1 januari jl. geduurd voordat de Wet bestuurlijke lus Awb in werking is getreden. Op grond van deze wet kan de bestuursrechter het bestuursorgaan de gelegenheid geven een gebrek in de besluitvorming te herstellen in plaats van dit besluit meteen te vernietigen. De bestuursrechter doet dan een tussenuitspraak. Tussenuitspraken worden uiteindelijk gevolgd door einduitspraken waarbij rekening wordt gehouden met de wijze waarop het bestuursorgaan het gebrek hersteld heeft. 

Inmiddels heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 17 maart jl. de eerste twee uitspraken openbaar gemaakt waarin hij de zogenoemde bestuurlijke lus heeft toegepast. In de eerste kwestie was een besluit van het College van Gedeputeerde Staten van Friesland niet door de juiste partij ondertekend. Overeenkomstig de Wet bestuurlijke lus zag de Afdeling in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het College van GS op te dragen dit formele gebrek in het bestreden besluit binnen twee weken te herstellen. In de tweede kwestie had het bestuursorgaan het bestreden besluit niet voldoende zorgvuldig voorbereid. Gezien het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil heeft de Afdeling het bestuursorgaan opgedragen binnen zes weken nader onderzoek uit te voeren.

Met deze twee uitspraken heeft de Raad van State vooralsnog een overbodige nieuwe procedure voorkomen. Zonder toepassing van de bestuurlijke lus zat er voor de Raad van State niets anders op dan het vernietigen van de bestreden besluiten en vervolgens de bestuursorganen op te dragen een nieuw besluit te nemen, dit met alle vertraging van dien. Met het toepassen van de bestuurlijke lus krijgen de betreffende bestuursorganen van de Raad van State twee respectievelijk zes weken de tijd om de gebreken te herstellen. In vergelijking met de oude situatie waarbij het na het vernietigen van een bestreden besluit maanden dan wel jaren kon duren voordat de herstelprocedure opnieuw aan de rechter kon worden voorgelegd, is dat een flinke vooruitgang.