Wet Aanpassing Arbeidsduur

maandag, 17 september 2001

(WAA); niet snel sprake van een zwaarwegend bedrijfsbelang. Vooruitlopend op de nieuwe kaderwet, de Algemene Wet Arbeid en Zorg, is op 1 juli 2000 de Wet Aanpassing Arbeidsduur (WAA) in werking getreden. In deze nieuwsbrief twee uitspraken over toepassing van de WAA. 

Twee beslissingen

Zowel de Kantonrechter te Haarlem als de Kantonrechter te Groningen dienden zich te buigen over een verzoek van een werkneemster om vermindering van de overeengekomen arbeidsduur. In beide zaken wilden werk-neemsters na afloop van hun zwangerschaps- en ouderschapsverlof 24 uur in plaats van 40 uur per week werken, verspreid over drie dagen. 

In het geval dat ter beoordeling werd voorgelegd aan de Kantonrechter te Haarlem functioneerde werkneemster volgens werkgeefster als assistent van de directeur als een spin in het web rondom deze directeur en diende zij alle planningen bij te houden, ook wanneer de directeur afwezig zou zijn. Een dergelijke sleutelfunctie zou volgens werkgeefster niet in minder dan vier dagen van 8 uur verricht kunnen worden.

De Kantonrechter laat duidelijk in zijn beslissing merken begrip te hebben voor het standpunt van werkgeefster, maar is niettemin van mening dat werkgeefster geen zwaarwegende bedrijfsbelangen heeft aangevoerd, die afwijzing van het verzoek van werkneemster rechtvaardigen. De bezwaren van werkgeefster lijken meer ingegeven door koudwatervrees. Het laten vervullen van de functie van werkneemster in 24 uur of het creëren van een duobaan zal ongetwijfeld de nodige omschakeling, ongemakken en mogelijk zelfs financiële offers met zich meebrengen, aldus de Kantonrechter, maar dat neemt niet weg dat het de bedoeling van de wetgever is geweest, dat dit soort verzoeken gehonoreerd dienen te worden.

In het geval dat werd voorgelegd aan de Kantonrechter te Groningen kwam de Kantonrechter tot hetzelfde oordeel. Werkgeefster had niet aannemelijk gemaakt waarom werkneemster wel vier dagen als systeembeheerster zou kunnen worden gedetacheerd, maar geen drie dagen. Dit is immers afhankelijk van de behoefte, die wisselt al naar gelang de grootte van een organisatie e.d. Vervolgens oordeelt de Kantonrechter dat indien werkgeefster geen aanvragen voor deeltijders heeft, in dat geval van werkgeefster verwacht mag worden dat zij haar acquisitie daarop richt, tenzij de kosten buitensporig zouden zijn in relatie tot het resultaat.

Beide verzoeken om minder te werken zijn derhalve toewijsbaar, hetgeen ook geldt ten aanzien van de spreiding van de dagen over de week (bijvoorbeeld drie vaste werkdagen). Volgens beide Kantonrechters dient de spreiding van de dagen in beginsel overeenkomstig de wensen van de werkneemsters te worden vastgesteld, tenzij dit redelijkerwijs niet haalbaar zou zijn.

Conclusie

Beide uitspraken onderschrijven de conclusie dat het niet meevalt om zwaarwegende bedrijfsbelangen aan te tonen. Er wordt verwacht dat de werkgever  zich terdege inspant om vrijgekomen uren te herbezetten.

Ongemakken en mogelijk zelfs financiële offers staan aan deze inspanningsverplichting niet in de weg.