Werkzaamheden te verschillend: geen sprake van opvolgend werkgeverschap

donderdag, 6 oktober 2016

Sinds de WWZ is in meer situaties dan voorheen, sprake van opvolgend werkgeverschap. Dat komt doordat niet langer vereist is dat de nieuwe werkgever zodanige banden heeft met de vorige werkgever, dat diens inzicht in de hoedanigheden en geschiktheid van de werknemer aan deze nieuwe werkgever kan worden toegerekend. Bij opvolgend werkgeverschap kunnen complicaties ontstaan in het kader van de ketenregeling, indien de arbeidsovereenkomsten tussen de verschillende werkgevers elkaar met een tussenpoos van maximaal zes maanden opvolgen. In dat geval telt het voorafgaande dienstverband ook mee bij de berekening van de transitievergoeding.

Van opvolgend werkgeverschap zal echter, ook onder de WWZ, geen sprake kunnen zijn als de werkzaamheden bij de betreffende werkgevers niet voldoende gelijk zijn. In een recente uitspraak werd op grond daarvan de vordering van een werkneemster afgewezen. (*1)

Casus

De betreffende werkneemster trad na meerdere dienstverbanden bij twee uitzendbureaus, voor bepaalde tijd in dienst van Paydeta. Via het eerste uitzendbureau (hierna: “uitzendbureau 1”) werd zij voor het uitvoeren van administratieve werkzaamheden gedetacheerd bij Jumbo. Door het tweede uitzendbureau en (daarop volgend) Paydeta werd zij voor het uitvoeren van administratieve werkzaamheden gedetacheerd bij uitzendbureau 1.

Na afloop van het contract voor bepaalde tijd ontvangt werkneemster van Paydeta gaan transitievergoeding, omdat het dienstverband korter dan 24 maanden heeft geduurd. Werkneemster start vervolgens een procedure om alsnog een transitievergoeding te verkrijgen. Zij stelt dat sprake is van opvolgend werkgeverschap van Paydeta ten opzichte van beide uitzendbureaus, waardoor ook de contracten bij deze bureaus meetellen en sprake is van overschrijding van de grens van 24 maanden.

De kantonrechter diende in deze kwestie tweemaal te beoordelen of sprake was van opvolgend werkgeverschap van Paydeta: ten aanzien van het eerste uitzendbureau waar werkneemster in dienst was en ten aanzien van het uitzendbureau waar zij daarna in dienst was getreden.

Uitspraak

De rechter stelt vast dat de werkzaamheden voor Paydeta identiek zijn aan de werkzaamheden voor het tweede uitzendbureau. Daardoor is sprake van opvolgend werkgeverschap. Er is echter geen transitievergoeding verschuldigd omdat de dienstverbanden tezamen korter dan 24 maanden duurden. 

Volgens de kantonrechter is Paydeta echter niet opvolgend werkgever ten opzichte van het eerste uitzendbureau. De kantonrechter acht niet voldoende dat de bij uitzendbureau 1 en Paydeta genoemde werkzaamheden allen onder de noemer “administratieve werkzaamheden” kunnen worden gebracht. Via Paydeta was werkneemster uitsluitend voor en op uitzendbureau 1 werkzaam en verrichtte zij administratieve werkzaamheden ten behoeve van het plaatsen van uitzendkrachten bij diverse opdrachtgevers. Toen werkneemster nog in dienst was van uitzendbureau 1 zelf, was zij gedetacheerd bij Jumbo en verrichtte zij niet alleen administratieve werkzaamheden die samenhingen met de daar werkzame uitzendkrachten van het bureau, maar ook aan Jumbo gerelateerde werkzaamheden (zoals het verwerken van facturen). Ook weegt de rechter mee dat de werkzaamheden voor uitzendbureau 1 niet op dezelfde plek werden verricht als de werkzaamheden voor Jumbo. Volgens de rechter is sprake van “wezenlijke verschillen” in de te verrichten arbeid. De vordering van de werkneemster wordt daarom afgewezen.

Conclusie

In deze uitspraak vist de werkneemster achter het net omdat volgens de rechter de werkzaamheden bij de werkgevers teveel verschilden. Dit ondanks dat wel sprake leek van een overlap (administratief werk ten behoeve van uitzendkrachten van het uitzendbureau). Hoe dan ook volgt uit de uitspraak dat het zo veel mogelijk laten verschillen van werkzaamheden en de plek waar deze moeten worden uitgevoerd, behulpzaam kan zijn bij het voorkomen van opvolgend werkgeverschap.

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met de advocaten van de sectie arbeidsrecht.

 

(*1) Kantonrechter Amsterdam 30 augustus 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5648