Werkgever blijft primair verantwoordelijk voor reïntegratie-inspanningen

dinsdag, 29 juni 2010

In het kader van de Poortwachterwetgeving is de verantwoordelijkheid voor reïntegratie neergelegd bij de werkgever en de werknemer. Hierbij verlenen onder meer de arbodiensten en reïntegratiebedrijven hun adviezen en diensten maar het uitgangspunt is dat werkgever en werknemer zelf de regie voeren en zelf tijdig de noodzakelijke acties dienen te ondernemen. Als dat niet gebeurt kan dit verstrekkende gevolgen hebben, zo is onlangs gebleken uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

Tijdens de twee ziektejaren werd werknemer tijdens de spreekuurcontacten door de bedrijfsarts steeds volledig arbeidsongeschikt geacht voor het eigen werk. De bedrijfsarts had met werknemer weliswaar gesproken over aangepast werk bij de eigen werkgever maar dit was gelet op de omvang van het bedrijf niet aanwezig. De bedrijfsarts had ook aangegeven  dat werknemer blijvend beperkt was voor het eigen werk en dat het einddoel van de reïntegratie gericht moest zijn op werkhervatting in ander werk bij een andere werkgever. Na twee ziektejaren oordeelde het Uwv dat de reïntegratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren geweest omdat werkgever het zogeheten 2e spoor (reïntegratie bij een andere werkgever) te laat had ingezet. De werkgever kreeg op basis daarvan een loondoorbetalingsplicht van 52 weken opgelegd. De werkgever vond dit niet terecht omdat hij in zijn visie de adviezen van de bedrijfsarts – die oordeelde dat werknemer volledig arbeidsongeschikt was- had opgevolgd zodat hem in dat verband niets viel aan te rekenen.

Volgens de CRvB had het de werkgever op basis van de reïntegratiestukken van de bedrijfsarts- waarin niet concreet was geadviseerd dat op dat moment een aanvang moest worden gemaakt met het 2e reïntegratiespoor- kunnen opmaken dat er inspanningen in het kader van het 2e reïntegratiespoor verricht diende te worden. Dat had de werkgever nagelaten. Over het standpunt van de werkgever dat hem geen verwijt trof omdat hij het oordeel van de door hem ingeschakelde bedrijfsarts had gevolgd, oordeelde de CRvB als volgt. De werkgever is en blijft verantwoordelijk voor reïntegratie met inbegrip van de werkzaamheden van degene die hij daarbij inschakelt. De verantwoordelijkheid van werkgever impliceert verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen, zoals de arbodienst. Het standpunt van de werkgever dat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen op het oordeel van zijn eigen deskundige, slaagt dus niet. Als de oorzaak van onvoldoende reïntegratie-inspanningen bij de arbodienst ligt, kan de werkgever deze civielrechtelijk aansprakelijk stellen, zo volgt uit de uitspraak.

Deze uitspraak kan vergaande gevolgen hebben voor een werkgever. Een werkgever wordt  verplicht een arbodienst in te schakelen voor de verzuimbegeleiding van zijn zieke werknemers maar tegelijkertijd loopt hij wel het risico dat het Uwv na twee jaar arbeidsongeschiktheid meent dat de arbodienst onjuiste adviezen heeft gegeven en oordeelt dat mede daarom reïntegratie onvoldoende is geweest. Het is dan de werkgever die zal moeten gaan procederen tegen de loonsanctiebeslissing.

Om het eventuele risico van een loonsanctie zoveel als mogelijk tegen te gaan heeft een werkgever er daarom nu alle belang bij om het Uwv door middel van het aanvragen van deskundigenoordelen te betrekken bij de reïntegratie in de eerste 104 weken. Ook al is er geen geschil tussen werkgever en werknemer, de werkgever doet er goed aan om gedurende die 104 weken zijn inspanningen tussentijds en soms zelfs meerdere malen te laten toetsen door het Uwv. Op deze manier beperkt de werkgever het risico dat het Uwv na twee jaar meent dat de arbodienst verkeerde adviezen heeft gegeven. Het gevolg hiervan is dat het Uwv medeverantwoordelijk wordt gemaakt voor het reïntegratieproces.

 

Auteur