Wederom: knelpunten Tremanormen

dinsdag, 13 juni 2006

De alimentatiekwestie is een zeer belangrijk onderdeel van de familierechtpraktijk. Scheidende mensen vragen steeds naar normen, aan de hand waarvan een rechtvaardige alimentatie kan worden vastgesteld. Advocaten-scheidingsbemiddelaars gebruiken het Tremamodel als uitgangspunt. Zij stuiten vaak op een minder rechtvaardige normering en dienen daarin correcties aan te brengen. Rechters zullen over het algemeen het Tremamodel als uitgangspunt hanteren, met de bedoeling aldus te komen tot een gelijke beoordeling van de verschillende gevallen. De normering, zoals die is opgenomen in het Tremamodel dient goed te zijn.

Discussie over normering 
Het alimentatiemodel, dat de Werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) heeft ontwikkeld, biedt een handzaam middel om te komen tot een correcte berekening van de draagkracht van een alimentatie-plichtige en de behoefte van een alimentatiegerechtigde. Bovendien is door middel van dat rekenmodel ook draagkracht-vergelijking mogelijk. Op die wijze kan worden uitgerekend bij welk alimentatiebedrag beide partijen in een gelijke financiële positie verkeren. 

Een aantal malen is in het verleden opbouwende kritiek geuit met betrekking tot de normering, zoals de Commissie Alimentatienormen die heeft vastgesteld. In niet mis te verstane woorden heeft mr. P. ten Hoeve, voormalig secretaris van de Werkgroep Alimentatienormen (NJB 24 mei 1996 pag. 793 e.v.) aangegeven, in welke gevallen de Tremanormen tot onrechtvaardige resultaten leiden. Hij geeft in het hiervoor genoemde artikel, dat nog niets aan actualiteit heeft ingeboet, aan op welke wijze de alimentatienormen verbeterd kunnen worden. Hij deed een “bikkelhard” voorstel tot wijziging. Voor zover mij bekend, heeft de Werkgroep Alimentatienormen daarop niet gereageerd.

In mijn artikel “Trematologie II, een heldere blik op alimentaties……………………………… “ (EB november/december 1996, nummer 11/12) bepleitte ik een aantal andere aanpassingen van de Tremanormen. Enkele van die aanpassingen, zoals die welke betrekking heeft op de auto van de zaak en die met betrekking tot de bijstandsnorm voor levensonderhoud van gezinnen met meer dan twee kinderen, gebruik ik in mijn scheidings-bemiddelingspraktijk vrijwel altijd. Scheidende mensen achten wijziging van die normen, zoals die door Trema zijn voorgeschreven, noodzakelijk. Zij zien in dat anders geen rechtvaardige regeling kan worden bereikt. Desalniettemin heeft de Werkgroep Alimentatienormen die wijzigingsverzoeken bij mijn weten nog niet aan een herbeoordeling onderworpen. 

De Commissie Knelpunten Tremanormen van de Vereniging van Personen- en Familierecht Advocaten (VPFA) heeft aan de werkgroep Alimentatienormen acht suggesties voor wijziging gedaan. Ik verwijs naar mijn artikel in EB van juni 1998, waarin die wijzigingsvoorstellen zijn omschreven. De betreffende commissie bestaat uit tien advocaten (veelal ook scheidingbemiddelaars), verspreid over Nederland, die zich intensief met het familierecht (en dus met het alimentatierekenen) bezighouden en die unaniem van mening waren en zijn, dat herijking van de Tremanormen gewenst is. De Werkgroep Alimentatienormen heeft op die aangedragen knelpunten gereageerd. De Commissie Knelpunten Tremanormen is teleurgesteld over het resultaat van die reactie. Geen van de door ervaren advocaten gedane suggesties is overgenomen. 

Een korte schets van de acht door de Commissie Knelpunten Tremanormen gedane wijzigingsvoorstellen is te vinden in het hiervoor genoemde, in EB van juni 1998 gepubliceerde artikel. Hierna zal de reactie van de Werkgroep Alimentatienormen worden samengevat en van commentaar worden voorzien.

Pensioenvoorziening De Werkgroep Alimentatienormen deelt niet het standpunt van de Commissie Knelpunten, dat de opbouw van een pensioenvoorziening ter grootte van 70% van het laatstverdiende inkomen als algemene regel redelijk zou zijn. Werknemers, die verplicht pensioen opbouwen, stelt de Werkgroep niet gelijk gesteld met werknemers, die dat vrijwillig doen. Met vrijwillige pensioenopbouw wordt alleen rekening gehouden, als tijdens het huwelijk ook vrijwillig pensioen werd opgebouwd.

Is bij een zelfstandige sprake van pensioenvoorziening in eigen beheer, dan kan de rechter door middel van een pensioenberekening laten verduidelijken of de reservering reëel is, in vergelijking met de pensioenpremie die men voor een redelijk pensioen zou betalen aan een verzekerings-maatschappij. Een verdere concretisering acht de Werkgroep niet mogelijk. Verder kan de Werkgroep geen antwoord geven op de vraag of en in hoeverre kosten van pensioenverrekening en -verevening ten laste van de draagkracht mogen worden gebracht.

Forfaitair bedrag eigenaarslasten 
De Werkgroep Alimentatienormen handhaaft het forfait voor “overige eigenaarslasten” op ƒ 175,-- per maand. Dat bedrag is als volgt opgebouwd: premie opstalverzekering ƒ 20,--, eigenaarsdeel onroerende zaaksbelasting ƒ 50,-- en onderhoud van de woning ƒ 105,-- per maand. Uiteraard kan volgens de werkgroep in individuele gevallen worden aangetoond dat die lasten hoger zijn. Vaak valt dat niet aan te tonen, althans voor zover het betreft onderhoud, dat aan de woning is gepleegd (zoals bijvoorbeeld het schilderwerk). In dat geval heeft de Commissie Aliementatienormen daar geen boodschap aan. De door de Werkgroep Knelpunten bepleite verhoging van het forfait tot ƒ 250,-- per maand bij een woning met een waarde van ƒ 250.000,--, ƒ 350,-- per maand bij een woning met een waarde van ƒ 500.000,-- en ƒ 450,-- per maand bij een woning met een waarde van ƒ 750.000,-- en meer wordt ongemotiveerd afgewezen.

Redelijke woonlast 
De Commissie Knelpunten Tremanormen heeft aanbevelingen gedaan om te komen tot een betere bepaling van de maximaal redelijke woonlast. Thans komt Trema niet verder (verwezen wordt naar punt 11 sub e van het Tremarapport), dan dat in individuele gevallen, gezien de persoonlijke omstandigheden en de woningmarkt ter plaatse, moet worden beoordeeld of de woonlasten redelijk zijn. Wanneer het totaal van de woonlasten onredelijk hoog is, dient volgens Trema naar redelijkheid een korting te worden toegepast. Waarom verdere aanscherping van de normen, zoals die zijn voorgesteld door de Commissie (bijvoorbeeld een maximaal redelijke woonlast ter grootte van 30% van het netto maandinkomen doch maximaal ƒ 1.500,-- netto per maand) niet wenselijk is, wordt niet gezegd. De Werkgroep volstaat met de mededeling dat het niet mogelijk is een vast bedrag als redelijke woonlast vast te stellen, omdat de woonlasten per regio verschillen.

Vergoeding van autokosten 
De Commissie Knelpunten Alimentatienormen heeft voorgesteld om in gevallen, waarin gebruik van de auto noodzakelijk is, de kosten daarvan te stellen op ƒ 0,50 per kilometer. Een bedrag van ƒ 0,25 per kilometer, zoals dat in 1993 is vastgesteld, is tegenwoordig te laag. Indexering van dat kwartje is op z’n minst nodig, nu alleen al de kosten van brandstof sedert 1993 zijn verdubbeld. De Werkgroep Alimentatienormen deelt die mening niet. De autokosten voor woon- werkverkeer blijven op ƒ 0,25 per kilometer, omdat nieuwe auto’s volgens de Werkgroep Alimentatienormen zuiniger rijden dan oude(re) auto’s, terwijl oude(re) auto’s over het algemeen goedkoper zijn. De kosten voor een lening in verband met de aanschaf van een auto kunnen daarenboven worden meegenomen, als die lening noodzakelijk was. Is de auto absoluut nodig voor het werk, dan beveelt de Werkgroep thans, gelet ook op de jurisprudentie van de Hoge Raad, voor de zakelijke kilometers een kilometerprijs aan van maximaal ƒ 0,50 per kilometer (uiteraard verminderd met de te ontvangen vergoeding van de werkgever). De kosten, die gemoeid zijn met het halen en brengen van kinderen in het kader van een omgangsregeling, worden afgerekend met een kwartje per kilometer. De Werkgroep Alimentatienormen geeft als reden, dat de noodzaak om met een auto te rijden in het kader van een omgangsregeling niet altijd aanwezig.

Bijstandsnorm levensonderhoud 
De Commissie Knelpunten Tremanormen heeft geadviseerd de bijstandsnorm voor het levensonderhoud in een draagkrachtberekening voor de alimentatieplichtigen te verhogen. De Werkgroep Alimentatienormen geeft ongemotiveerd aan, dat zij daarvoor geen reden ziet. Dat gemeenten emolumenten verstrekken aan bijstandsgerechtigden (waardoor voor hen de bijstandsnorm wordt opgerekt) en dat bijstandsgerechtigden in de gelegenheid zijn “op koopjes uit te gaan”, terwijl werkenden daarvoor niet de gelegenheid hebben, spreekt de Werkgroep niet aan.

Kosten juridische bijstand 
In de rechtspraktijk is onduidelijk of en in hoeverre de alimentatieplichtigen een schuld, aangegaan ten behoeve van de kosten van juridische bijstand in het kader van de echtscheidings- en alimentatieprocedures ten laste van hun draagkracht kunnen brengen. De Werkgroep Knelpunten Tremanormen heeft erop gewezen dat sommige Gerechtshoven en Rechtbanken met die kosten rekening houden en andere niet. Die rechtsongelijkheid zou naar de mening van de Commissie moeten worden opgeheven. De Werkgroep merkt daarover op, dat advocaatkosten bij hoge uitzondering in aanmerking worden genomen en dat die kosten wellicht in een voorlopige voorzieningenprocedure eerder worden geaccepteerd dan bij vaststelling van de definitieve alimentatie. Een dergelijke visie brengt nog steeds geen rechtsgelijkheid. Waarom wordt de suggestie van de Commissie Knelpunten eigenlijk niet gevolgd. Die is simpel en rechtvaardig. Alimentatieplichtigen en -gerechtigden, die zelf de kosten van juridische bijstand moeten betalen, zullen die gelden ergens vandaan moeten toveren. Kosten van juridische bijstand zijn even noodzakelijk als de kosten van het dagelijks levensonderhoud en van herinrichting. Nu de Werkgroep rekening wenst te houden met die kosten, behoort de Werkgroep ook rekening te houden met de kosten van rechtsbijstand, in het geval er geen vermogen is waaruit die kosten kunnen worden voldaan. Aanbevolen wordt om (zoals dat gebeurt bij herinrichtingskosten) bij wijze van forfait een lening voor kosten van juridische bijstand te accepteren ter grootte van ƒ 10.000,--, af te lossen met ƒ 250,-- per maand. 

Inkomsten uit vermogen 
In hoeverre behoren inkomsten uit vermogen en koerswinsten van aandelen meegenomen te worden in alimentatieberekeningen. Vermogen kan zowel bij de alimentatieplichtige als bij de alimentatiegerechtigde aanwezig zijn. Bepaalde beleggings-vormen leveren gedurende een aantal jaren geen inkomsten op, maar zorgen ervoor dat de bron (het vermogen zelf) wordt vergroot. In hoeverre rekening behoort te worden gehouden met een fictief inkomen uit dat vermogen, is onduidelijk.

Rechterlijke college’s reageren verschillend
De Werkgroep meent dat gekeken moet worden naar de reële opbrengst van het vermogen; als dat vermogen door toedoen van een partij niets opbrengt, wordt nagegaan wat dat vermogen kan opbrengen. De Werkgroep komt vooralsnog niet verder dan de gedachte dat de rechter dan een fictief rendement vaststelt. Daarmee blijft rechtsongelijkheid bestaan in die gevallen waarin het vermogen geen direct jaarlijks inkomen oplevert. De Commissie Knelpunten blijft van mening dat het redelijk zou zijn uit te gaan van een fictief rendement van 5%.

Tot slot
De Werkgroep Alimentatienormen van de NVvR is van plan om in februari 2000 een nieuwe versie van het Tremarapport uit te brengen. De Commissie Knelpunten Tremanormen hoopt dat de Werkgroep Alimentatienormen zich terdege zal buigen over de bovengenoemde aanbevelingen. De Werkgroep en de Commissie streven immers een zelfde doel na: optimalisering van de Tremanormen, die een onmisbaar hulpmiddel zijn geworden bij het vaststellen van alimentatiebedragen.

Auteur