Vormvoorschriften

maandag, 31 maart 2014

In de tweede editie van onze mailing zijn wij in het kader van ‘vraag en aanbod’ ingegaan op verklaringen of uitingen van de wil. Die verklaringen kunnen in elke vorm plaatsvinden: door middel van gesproken woord, geschrift, gebaren, gedragingen en, onder bepaalde omstandigheden, zelfs door stilzitten. Zij zijn dus vormvrij. 

  • vormvrij
  • vormvoorschriften
  • geldigheid
  • bewijs
  • wettelijke vormvoorschriften
  • overeengekomen vormvoorschriften
  • gevolgen niet naleving
  • redelijkheid en billijkheid


Uitgangspunt is dat verklaringen of uitingen vormvrij zijn. Dat uitgangspunt geldt ook voor overeenkomsten.

In sommige gevallen gelden er wel vormvoorschriften. Aan die vormvoorschriften moet zijn voldaan om de verklaring van de wilgeldig te laten zijn of om het bestaan ervan te bewijzen.

Een voorbeeld van een wettelijk vormvoorschrift is het vereiste dat een concurrentiebeding in een arbeidsovereenkomst schriftelijk moet worden overeengekomen met de werknemer.  

Ook kan sprake zijn van door partijen overeengekomenvormvoorschriften. Denk bijvoorbeeld aan het vormvoorschrift dat de overeenkomst pas tot stand komt indien deze schriftelijk is vastgelegd, de bepaling die vereist dat opzegging per deurwaardersexploot moet geschieden of de bepaling dat wijziging van de overeenkomst alleen schriftelijk kan geschieden.

Partijen leven niet altijd de vormvoorschriften na. Als een wettelijke vormvoorschrift niet in acht wordt genomen, heeft dit tot gevolg dat de verklaring of de uiting van de wil niet geldig is. Wanneer bijvoorbeeld het eerder genoemde concurrentiebeding niet schriftelijk maar mondeling met de werknemer is overeengekomen, is dit beding ongeldig en kan de werkgever er geen beroep op doen.

Als partijen zelf een vormvoorschrift zijn overeengekomen en dit voorschrift niet wordt nageleefd, heeft dat ook tot gevolg dat de verklaring van de wil niet geldig is. In deze gevallen hebben partijen wel nog de mogelijkheid om af te spreken dat de ongeldige verklaring door de ontvanger toch als geldig wordt beschouwd. Zo kunnen partijen bijvoorbeeld afspreken dat de ene partij de mondelinge kennisgeving van een klacht over een geleverde zaak van de ander toch accepteert, ondanks het feit dat partijen eerder hadden afgesproken dat klachten alleen schriftelijk konden worden ingediend. Door die nadere afspraak tussen partijen, is de klacht dan toch geldig.

Soms kunnen de redelijkheid en billijkheid vereisen dat partijen meewerken aan het alsnog vervullen van een vormvoorschrift. Daarnaast kan in sommige gevallen een beroep op het niet naleven van een tussen partijen overeengekomen vormvoorschrift in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Dat is bijvoorbeeld het geval als de opzegging van een overeenkomst niet in de voorgeschreven vorm werd gedaan, maar wel vast staat dat de andere partij de opzeggingsverklaring heeft ontvangen.