Vorderingen uit dezelfde rechtsverhouding?

maandag, 19 maart 2012

Op 27 januari 2012 (LJN: BU3777) heeft de Hoge Raad een (voorlopig) oordeel geveld over de mogelijkheid van verrekening van een alimentatievordering met een door de vader aan het kind gecedeerde (overgedragen) vordering uit hoofde van overbedeling. Beide vorderingen waren ontstaan uit het door de man en de vrouw gesloten echtscheidingsconvenant. De vraag die ook na dit arrest nog resteert is of beide vorderingen zijn ontstaan uit dezelfde rechtsverhouding.

Casus

Man en vrouw waren getrouwd in gemeenschap van goederen. Voorafgaand aan de echtscheiding hebben partijen de gevolgen van hun scheiding in onderling overleg geregeld en de afspraken vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Krachtens artikel 4 van het convenant dient de man een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 113,64 per maand. In artikel 6 is vastgelegd dat de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toegedeeld. De vordering van de man op de vrouw uit hoofde van overbedeling wordt opeisbaar na verkoop en levering van de woning aan een derde. De man cedeert (draagt over) de vordering die hij op de vrouw heeft uit hoofde van overbedeling aan ieder van de kinderen voor gelijke delen,  middels ondertekening van het convenant. Op een gegeven moment verkoopt de vrouw de woning. De man vordert (namens het nog minderjarige kind dat onder zijn gezag staat) een bedrag van € 18.022,87 van de vrouw. De vrouw verweert zich door een beroep te doen op verrekening, nu de man een achterstand heeft in de betaling van partneralimentatie. Het gerechtshof wijst het beroep van de vrouw op verrekening af, nu het van mening is dat er geen sprake is van ‘dezelfde wederpartij’.  De vader treedt volgens het hof op als vertegenwoordiger van het minderjarige kind en de vordering van de vrouw op de man (partneralimentatie) betreft hem persoonlijk. De vrouw gaat in cassatie.

Verrekening

Volgens de wet dient er aan een viertal vereisten voldaan te zijn, wil een beroep op verrekening kans van slagen hebben. Zo moet er sprake zijn van wederkerigheid, gelijksoortigheid, bevoegdheid tot betaling van de schuld en bevoegdheid tot afdwingen van betaling van de ander. Hierbij is met name de vraag van belang of de vordering van de schuldenaar beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij (wederkerigheid). In dit geval was het hof van mening dat aan dit vereiste niet was voldaan. De vrouw deed echter een beroep op de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 6:130 BW.

Dit artikel geeft aan dat binnen zekere grenzen verrekening ook is toegestaan wanneer partijen niet elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn. Dat betekent dat de vrouw onder bepaalde voorwaarden ook haar vordering op de man uit hoofde van achterstallige partneralimentatie kan verrekenen met de vordering van de kinderen op haar uit hoofde van overbedeling.  Dit kan alleen als de vordering onder bijzondere titel (zoals overgang van de vordering van de vader op de kinderen) is overgegaan en de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering. De vrouw stelt dat aan deze voorwaarde(n) is voldaan nu beide vorderingen zijn ontstaan uit de afspraken die zijn neergelegd in het echtscheidingsconvenant.

Hoge Raad

De Hoge Raad concludeert in zijn arrest dat slechts tot aanvaarding van de uitzonderingsgrond van artikel 6:130 BW kan worden overgegaan, indien de tegenvordering (achterstallige partneralimentatie) waarop de schuldenaar (in casu de vrouw) zich beroept, voldoende nauw samenhangt met de gecedeerde vordering (uit hoofde van overbedeling) om doorbreking van de hoofdregel van wederkerigheid te kunnen rechtvaardigen. Of dit het geval is moet worden bekeken naar de stand van zaken op het moment van mededeling van de cessie (overgang van de vordering) aan de schuldenaar, waarbij alle omstandigheden van het geval in ogenschouw moeten worden genomen.

‘De enkele omstandigheid dat de vordering en de tegenvordering in hetzelfde document zijn geregeld, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat zij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. Anderzijds kan het feit dat de vordering en de tegenvordering in één overeenkomst zijn erkend, wel een aanwijzing zijn voor de vereiste samenhang. Zo streven partijen in een echtscheidingsconvenant vaak ernaar een alomvattende regeling vast te leggen.’

De Hoge Raad vernietigd na bovenstaande uiteenzetting het arrest van het hof en verwijst de zaak door naar een ander hof. Dit hof dient naar aanleiding van de overwegingen van de Hoge Raad te beoordelen of beide vorderingen uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien.

Conclusie

Hoewel de Hoge Raad in deze uitspraak op deze manier geen definitief oordeel velt over de vraag of de vrouw haar vordering op de man (uit hoofde van achterstallige partneralimentatie) mag verrekenen met de gecedeerde vordering van de kinderen op haar (uit hoofde van overbedeling), geeft hij in dit arrest wel een aantal belangrijke handreikingen voor de praktijk. Het enkele feit dat beide vorderingen hun oorsprong vinden in dezelfde overeenkomst is volgens de Hoge Raad dus niet zaligmakend.