Voortschrijdende ellende bij vaststelling kinderalimentatie

donderdag, 25 april 2013

Al jarenlang is de politiek bezig het kinderalimentatiestelsel te vereenvoudigen. In 2004 werd daartoe een wetsvoorstel ingediend, dat de eindstreep niet heeft gehaald. De PvdA en VVD kwamen op 29 september 2011 met een “Nota”, die nog niet tot een wetsvoorstel heeft geleid. Intussen heeft de Werkgroep Alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak op 16 november 2012 een richtlijn “Vereenvoudiging” kinderalimentatie uitgevaardigd, welke richtlijn vanaf 1 april 2013 bij de vaststelling van nieuwe kinderalimentatienormen gehanteerd zou moeten worden. Verder is de richtlijn verwerkt in twee rapporten Alimentatienormen 2013 –I en –II.

Tot nu toe werden kinderalimentaties als volgt vastgesteld: Aan de hand van Nibud-tabellen wordt eerst de hoogte van de behoefte van de kinderen bepaald. Vervolgens wordt de draagkracht van iedere ouder vastgesteld aan de hand van ieders bruto jaarinkomen, dat wordt herleid naar een besteedbaar maandinkomen. Aan de hand van de werkelijke lasten van iedere ouder wordt het draagkrachtloos inkomen bepaald. Dat wordt afgetrokken van het besteedbaar maandinkomen, waaruit de draagkrachtruimte blijkt. 70% daarvan vormt de draagkracht van iedere ouder. Naar rato van die draagkracht draagt ieder van de ouders bij in de behoefte van de kinderen.

Dit systeem is niet eenvoudig. Leken kunnen geen snelle berekening maken van ieders onderhoudsverplichting. Advocaten, rechters en andere bij echtscheidingen betrokken professionals kunnen dat wel. En zij komen daar goed uit.

De politiek vindt echter dat het allemaal veel eenvoudiger moet. Ouders moeten in staat zijn zelf hun kinderalimentatieverplichting te berekenen. Dat ontlast de rechterlijke macht. Daartoe zou het draagkrachtprincipe losgelaten moeten worden. Kinderalimentatie zou hoofdzakelijk forfaitair vastgesteld moeten worden. En kan de rechter dat niet, dan moet het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) dat maar gaan doen. Dat vinden de rechterlijke macht en de advocatuur helemaal niets. Vaststelling van kinderalimentatie kan immers niet los worden gezien van de vaststelling van partneralimentatie. Bovendien is de rechterlijke macht op dit gebied deskundig en heeft het weinig zin om in plaats daarvan een ambtelijk college te gaan opleiden. Verder mag het gebruiken van veel forfaits makkelijk zijn, het gaat ten koste van de zuiverheid. En om nu kinderalimentaties te laten vaststellen op de wijze waarop (vroeger) de studiefinanciering vastgesteld werd (uitgaande van het inkomen en de lasten, die twee jaar geleden golden): dat brengt zeker een vracht aan procedures met zich. Bovendien: waarom zou het allemaal anders moeten?

Aan die veranderingsdrift ligt de foutieve veronderstelling ten grondslag, dat ouders geen kinderalimentatie zouden willen betalen, omdat de wijze van vaststelling voor hen niet haalbaar is. Uit een onderzoek van het NIPO, verricht in opdracht van de vFAS, blijkt dat slechts 14% van de Nederlanders het moeilijk vindt om afspraken over kinderalimentatie te maken. 82% van de gescheiden Nederlanders vindt het noodzakelijk, dat er bij een scheiding een specialist wordt betrokken.

De richtlijn vereenvoudiging kinderalimentatie, die met ingang van 1 april 2013 zou moeten gaan gelden, berekent de hoogte van de behoefte van de kinderen op dezelfde wijze als nu gebeurt: aan de hand van de Nibud-tabellen. De draagkracht van ieder van de ouders wordt echter op een heel andere wijze berekend. Dat gebeurt voortaan aan de hand van het netto besteedbaar inkomen van ieder van de ouders. Om dat te berekenen wordt nog steeds uitgegaan van het bruto inkomen verminderd met premies en belastingen. Maar het daarop in mindering te brengen draagkrachtloos inkomen wordt heel anders berekend. Dat gebeurt niet langer aan de hand van de werkelijke kosten van een alimentatieplichtige, maar aan de hand van de gegevens die uit de draagkrachttabel blijken. Die tabel houdt rekening met een forfaitair bedrag aan lasten bij een bepaald inkomen en bestaat uit de bijstandsnorm voor een alleenstaande, een (hoog) forfaitair bedrag aan woonlasten, een premie ziektekostenverzekering van € 125,- per maand en € 53,- per maand aan onvoorziene uitgaven (mits het inkomen ligt boven € 1.500,- per maand). Heeft een onderhoudsplichtige meer lasten en schulden, dan waarmee forfaitair rekening wordt gehouden, dan kan hij of zij beroep doen op de zogenoemde aanvaardbaarheidstoets. De alimentatieplichtige moet dan goed onderbouwd aangeven dat en waarom de berekening van zijn draagkracht leidt tot een onaanvaardbare uitkomst.

Wat is het probleem met de nieuwe richtlijn? Het grootste probleem is dat het berekenen van de door ieder der ouders te betalen bijdrage niet eenvoudiger, maar juist ingewikkelder is geworden. Het hanteren van forfaitaire lasten bij de vaststelling van  het draagkrachtloos inkomen, leidt tot grote onzuiverheden. Vaak zijn de werkelijke lasten veel lager dan het forfait, waarmee rekening mag worden gehouden. Het gevolg is dat de draagkracht lager lijkt, dan in werkelijkheid het geval is, zodat een te laag bedrag aan kinderalimentatie wordt vastgesteld. Dan lijkt het onzuiver om bij inkomens lager dan € 1.400,- per maand enerzijds de € 53,- voor onvoorziene kosten weg te laten en anderzijds met 100% van de draagkrachtruimte te rekenen. Dat brengt weinig-verdienende ouders in de problemen. Tenslotte vrees ik dat in heel veel gevallen beroep zal (moeten) worden gedaan op de aanvaardbaarheidstoets. En dan moet er alsnog op de conventionele wijze worden gerekend. Met andere woorden: de nieuwe richtlijnen leiden in veel gevallen tot een lager alimentatiebedrag, dat op een ingewikkelde confectiewijze wordt vastgesteld. Wanneer de te betalen bijdrage niet aansluit bij de werkelijke draagkracht, zal het resultaat voor veel burgers niet acceptabel zijn. Ik roep de rechterlijke macht op kinderalimentaties te blijven vaststellen op de wijze, zoals dat nu gebeurt: maatwerk dat op een relatief eenvoudige wijze wordt geleverd.