Verzwijging van vermogen bij verdeling; een klassiek geval van boontje komt om zijn loontje?

woensdag, 12 april 2017

Op 31 maart 2017 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:565) in een procedure tussen twee erfgenamen in een nalatenschap de uitspraak van het hof bekrachtigd, voor zover daarbij is vastgesteld dat de ene erfgenaam opzettelijk het bestaan van een bankrekening op naam van erflaatster in Zwitserland (met daarop een vermogen van afgerond € 644.000,-) heeft verzwegen voor de andere erfgenaam en daarmee het volledige saldo heeft verbeurd aan de ander (op grond van artikel 3:194 lid 2 BW). Wat was het geval?

Voorafgaand aan haar overlijden heeft de erflaatster bij testament haar zoon en haar neef tot erfgenamen benoemd. Tevens heeft zij voorafgaand aan haar overlijden een algemene volmacht aan haar zoon afgegeven ten behoeve van haar Zwitserse bankrekening. Met gebruikmaking van deze volmacht heeft de zoon, enige maanden voor het overlijden van zijn moeder, het volledige saldo op de bankrekening overgeboekt naar een tweetal rekeningen op naam van hem en zijn vrouw, waarna de oorspronkelijke rekening is opgeheven. Toen de neef aan de zoon vroeg naar het bestaan van een bankrekening in Zwitserland, heeft de zoon het bestaan daarvan ontkend. Later, nadat de neef met bewijs van het bestaan van deze rekening kwam, heeft de zoon zich op het standpunt gesteld dat het een schenking van zijn moeder aan hem betrof.

Voor de sanctie van verbeurdverklaring van iemands aandeel in een gemeenschap vereist artikel 3:194 lid 2 BW (welk artikel ook opgaat in het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap) dat er sprake is van opzet. Deze opzet nam het hof aan. De zoon van erflaatster ontkende richting zijn neef het bestaan van de rekening toen daar specifiek naar werd gevraagd. Later beriep de zoon zich op een schenking, met als doel om de gelden opzettelijk buiten de verdeling te laten. De Hoge Raad merkt op dat bewezen moet zijn dat iemand wist dat het verzwegen goed tot de gemeenschap (in dit geval de nalatenschap) behoorde. Het is niet voldoende indien die persoon dat alleen maar behoorde te weten, maar feitelijk niet wist. In het onderhavige geval was van dat laatste geen sprake.

Daarbij maakt de Hoge Raad ook duidelijk dat “ieder verzwijgen, zoek maken of verborgen houden daarvan tot toepasselijkheid van de sanctie van art. 3:194 lid 2 BW leidt, ook als nog geen verdeling heeft plaatsgevonden”. Daardoor faalt het beroep van de zoon op het feit dat er geen sprake kan zijn van een sanctie jegens hem nu er nog geen verdeling van de nalatenschap heeft plaatsgevonden en de neef niet is benadeeld. Immers, de strekking van het wetsartikel is om oneerlijk gedrag van de deelgenoten tegenover elkaar te ontmoedigen. Aan deze strekking wordt geen recht gedaan indien de verzwijging nadien kan worden hersteld. De zoon is dus te laat tot inkeer gekomen. Een voorbeeld van boontje komt om zijn loontje. De zoon had vanaf het eerste moment eerlijk richting zijn neef moeten zijn over de bankrekening in Zwitserland. Enkel een beroep op de maatstaven van redelijkheid en billijkheid had de zoon nog kunnen redden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval (die dan wel bijzonder moeten zijn). Helaas voor hem, heeft hij daar geen beroep op gedaan.

De uitspraak van de Hoge Raad laat geen misverstand bestaan over de risico’s die een deelgenoot in een gemeenschap (bijvoorbeeld een nalatenschap of een ontbonden huwelijksgemeenschap) loopt door goederen bewust te verzwijgen. Bij ontdekking van de verzwijging verbeurt de deelgenoot zijn aandeel in het goed aan de ander.

Mocht u naar aanleiding van dit artikel vragen hebben, neemt u dan contact op met mr. Tim Backx.