Verzoek om medewerking is volgens ACM geen besluit

woensdag, 16 juli 2014

Op 11 juli 2014 heeft de ACM geoordeeld  dat een verzoek om medewerking geen besluit oplevert in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gevolg hiervan is dat ACM het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Bij brief van 1 april 2014 heeft ACM de betreffende persoon c.q. onderneming (X) verzocht haar medewerking te verlenen om bepaalde inlichtingen te verschaffen die zij redelijkerwijs kan aanleveren. Vervolgens heeft X tegen deze brief van ACM een bezwaarschrift ingediend. In dit bezwaarschrift van 12 mei 2014 wordt door X tevens om vergoeding van de kosten in bezwaar verzocht.

ACM oordeelt dat het verzoek om medewerking geen besluit oplevert als bedoeld in artikel 1:3 Awb. Deze verplichting vloeit volgens de ACM rechtstreeks voort uit de wet, namelijk in artikel 5:20 van de Awb. ACM verwijst hierbij ook naar uitspraken uit 1998, 1999 en 2008. Het verzoek van medewerking moet dan ook worden gezien als feitelijk handelen waartegen alleen bij de burgerlijke rechter rechtsbescherming kan worden gezocht. ACM verklaart het gemaakte bezwaar derhalve niet-ontvankelijk en wijst het verzoek van X om vergoeding van de kosten dan ook af.

Commentaar
Het komt de laatste jaren niet veel meer voor dat er wordt geprocedeerd over de reikwijdte van de bevoegdheden van de ACM. Om die reden is dit besluit reeds de moeite van het signaleren waard. In onderhavige zaak betrof het de medewerkingsplicht die betrekking heeft op alle toezicht- en onderzoeksbevoegdheden van de ACM. De bevoegdheden van de ACM zijn geregeld in de Awb. Om toegang te krijgen tot de rechtsbescherming die de Awb biedt moet er ook een bestuursrechtelijke ingang zijn, te weten een besluit. In casu heeft de ACM mijns inziens terecht geoordeeld dat een verzoek om een inlichtingen geen besluit is maar een feitelijke handeling. Ook tegen feitelijke handeling staat rechtsbescherming open maar enkel bij de civiele rechter. Uit de parlementaire geschiedenis van titel 5.2 Awb volgt dat de bevoegdheden van de toezichthouder niet ontstaan met een bestuursbesluit, maar dat deze rechtstreeks uit de wet voortvloeien. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de parlementaire geschiedenis van artikel 5:13 Awb: toezichthandelingen zijn in de regel feitelijke handelingen waartegen bij de burgerlijke rechter rechtsbescherming openstaat (PG Awb, derde tranche, p. 304). Of het verzoek om inlichtingen te verstrekken aan de ACM terecht geweigerd is, valt uit deze uitspraak niet af te leiden. Gelet op het oordeel niet-ontvankelijkheid is de ACM aan die vraag niet meer toegekomen.