Verzoek om herziening terecht afgewezen

donderdag, 22 juli 2010

De Nederlandse Mededingingsautoriteit (‘NMa’) heeft in 2004 een boete van EUR 55.000 opgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapeuten (‘NVP’) vanwege een inbreuk artikel 6 van de Mededingingswet (‘Mw’). De NVP heeft geen beroep ingesteld  tegen dit sanctiebesluit, zodat het besluit formele rechtskracht heeft gekregen. De NVP heeft verzocht om herziening van het besluit omdat de boete van de overige betrokken partijen die wel in beroep zijn gegaan is vernietigd. De Rechtbank is van oordeel dat de NMa het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen. Het feit dat NVP niet in beroep is gegaan dient voor haar rekening en risico te blijven.

Op 26 april 2004 heeft de NMa in een sanctiebesluit geoordeeld dat de ondernemersverenigingen het Nederlands Instituut van Psychologen (‘NIP’), de Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie en de Nederlandse Vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten (‘NVVP’) artikel 6, eerste lid van de Mw heeft overtreden. De NMa was van mening dat deze ondernemersverenigingen door geven van tariefadviezen aan hun leden in de periode van 1998 tot en met 2003 het kartelverbod hebben overtreden.

Verloop van de procedure

Tegen dit sanctiebesluit hebben de NVP en de andere ondernemersverenigingen tijdig bezwaar gemaakt. De NMa oordeelde op 20 april 2005 dat de boetes uit het sanctiebesluiten worden gehandhaafd. De NVP is tegen dit besluit niet in beroep gegaan en heeft haar boete van EUR 55.000 betaald. De overige ondernemersverenigingen gingen wel in beroep. Dit beroep is vervolgens gegrond verklaard door de rechtbank. Hierop is de NMa in beroep gegaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (‘CBb’). Op 6 oktober 2008 bevestigde het CBb de uitspraak van de rechtbank en droeg de NMa op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Op 17 maart 2009 heeft de NMa geconcludeerd dat nader onderzoek in die zaak niet opportuun was en besloot af te zien van het opleggen van een boete aan NIP, LVE en NVVP.

Verzoek tot herziening opleggen boete

De NVP heeft de NMa verzocht de boete, die zij onlangs had betaald, te heroverwegen. De NMa heef dit verzoek in het primaire besluit afgewezen. De NMa stelt zich op het standpunt dat de het besluit op bezwaar van 20 april 2005 formele rechtskracht heeft gekregen. In beroep voert de NVP aan dat er sprake is van klemmende bijkomende omstandigheden die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen. De NVP verkoos het borgen van kwalitatieve aspecten van de beroepsuitoefening boven geld uitgeven aan een beroepsprocedure. Vanwege het onvoorspelbare overheidsbeleid ten aanzien van het schrappen van het beroep van psychotherapeut uit de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en de gevolgen die daaruit voorvloeiden heeft de NVP besloten geen tijd en energie te steken in een kostbare procedure. Voor de NVP was het geen vrije keuze om niet in beroep te gaan. Bovendien is zij van mening dat het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel zijn geschonden, omdat is afgezien van het opleggen van boetes aan NIP, LVE en NVVP.

De rechtbank oordeelt eveneens dat het besluit formele rechtskracht heeft gekregen omdat de NVP geen beroep heeft ingesteld. Derhalve dient er te worden uitgegaan van rechtmatigheid van het besluit. Hierop heeft de NVP verzocht het besluit van 20 april 2005 te herzien. Indien een bestuursorgaan weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, dan dient de bestuursrechter op grond van vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld CBb 8 januari 2009, LJN BH0992) het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen. Hierbij dient de rechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Als dat het geval is moet de rechter beoordelen of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. De indiener van het verzoek moet nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren te brengen.

De rechtbank is van mening dat de klemmende bijzondere omstandigheden die de NVP heeft genoemd, niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat de NMa geen nieuwe besluiten op bezwaar heeft genomen ten aanzien van NIP, LVE en NVVP impliceert niet dat de NMa de onrechtmatigheid van het besluit van 20 april 2005 met betrekking tot de NVP heeft erkend. De nieuwe besluiten van de NMa ten aanzien van NIP, LVE en NVVP zijn genomen op grond van doelmatigheidsoverwegingen.

Ook het schrappen van het beroep van psychotherapeut uit de Wet BIG kan niet worden aangemerkt als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid. Deze omstandigheden waren destijds  bekend bij de NVP. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat het beroep van de NVP op deze beginselen ook niet geschaard kan worden onder de noemer van nieuwe feiten of omstandigheden. Daarbij komt dat de NVP ook beroep had kunnen instellen. Nu NVP dit niet gedaan heeft komt dit voor rekening en risico van de NVP.

Het belang van deze uitspraak is er vooral in gelegen dat het in sommige gevallen toch loont om verder te procederen. Door het aantekenen van bezwaar en beroep stelt men in ieder geval de rechten veilig en blijft de mogelijkheid bestaan dat een boete ‘hangende’ de procedure wordt kwijtgescholden. Deze route lijkt kansrijker dan het indienen van een herzieningsverzoek.

Rechtbank Rotterdam 10 juni 2010, LJN BM7407