Vertraging aanvraag deskundigenoordeel komt voor rekening van werknemer

dinsdag, 29 april 2014

Werkneemster is op 1 september 2011 als schoonmaakster in dienst getreden bij werkgever, voor 15 uur per week. Twaalf dagen later, op 12 september 2011, meldt werkneemster zich ziek. De bedrijfsarts stelt vast dat er sprake is van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsarts adviseert werkgever om werkneemster vanaf 3 oktober 2011 tot en met 17 oktober 2011 weer werkzaamheden voor 50% te laten hervatten en haar daarna weer volledig in te zetten. Werkneemster verschijnt op 3 oktober 2011 niet op het werk, om re-integratiewerkzaamheden te verrichten. Werkgever staakt de salarisbetaling. Werkneemster wordt meerdere malen opgeroepen voor overleg. Zij verschijnt de ene keer wel; de andere keer niet. Werkneemster heeft meerdere malen aangegeven dat zij een deskundigenoordeel heeft aangevraagd bij het UWV, maar zij heeft dat pas op 7 augustus 2012, dus bijna een jaar later, daadwerkelijk gedaan. Het UWV oordeelt bij brief d.d. 3 september 2012 dat werkneemster op 3 oktober2011 niet in staat was haar werkzaamheden voor 50% te verrichten. Werkneemster stelt een loonvordering in.

Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of werkneemster vanaf 3 oktober 2011 in staat was (re-integratie)werkzaamheden te verrichten. Voor het beantwoorden van deze vraag stelt de kantonrechter te Amsterdam (uitspraak d.d. 11-3-2014) voorop dat een werkgever in geval van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte gedurende 104 weken het salaris aan de werknemer dient door te betalen. Op die hoofdregel bestaat een aantal uitzonderingen, waaronder:

  1. de tijd gedurende welke door toedoen van de werknemer zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
  2. de werknemer zonder deugdelijke grond weigert passende arbeid te verrichten.

Bij deze twee uitzonderingen geldt als sanctie een loonstop.

De kantonrechter overweegt dat als uitgangspunt geldt dat partijen zich naar het advies van de bedrijfsarts dienen te richten. Als de werkgever of de werknemer zich met dat advies niet kan verenigen, kan hij een deskundigenoordeel van het UWV inwinnen. De Kantonrechter overweegt dat er in beginsel aan de zijde van de werknemer een deugdelijke grond is geweest de door bedrijfsarts geachte passende arbeid niet uit te voeren, indien een werknemer die het niet eens met het advies van de bedrijfsarts en weigert om de aangeboden werkzaamheden te verrichten, binnen een redelijke termijn een deskundigenoordeel aanvraagt bij het UWV én door het UWV in het gelijk wordt gesteld. In dat geval dient de werkgever het loon door te betalen.

Echter, als de werknemer niet binnen een redelijke termijn, maar eerst na enige tijd een deskundigenoordeel van het UWV inroept en vervolgens door het UWV in het gelijk wordt gesteld, dient de periode vanaf de weigering conform het advies van de bedrijfsarts re-integratiewerkzaamheden uit te voeren, tot aan de indiening van de aanvraag bij het UWV voor het deskundigenoordeel te worden aangemerkt als het “zonder deugdelijke grond weigeren van passende arbeid”. In zo’n geval heeft de werknemer in beginsel eerst vanaf de datum van indiening van het verzoek bij het UWV (weer) recht op doorbetaling van loon.

De kantonrechter oordeelt dat de werkneemster in casu geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat haar ter zake de zeer late indiening geen verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat het deskundigenoordeel niet binnen een redelijke termijn na het advies van de bedrijfsarts (d.d. 19 september 2011) is aangevraagd. Werkneemster kan geen aanspraak maken op doorbetaling loon vanaf 3 oktober 2011(loonstop) tot 7 augustus 2012 (datum aanvraag deskundigenoordeel).

Vervolgens rijst de vraag of werkneemster recht heeft op doorbetaling loon, op basis van het deskundigenoordeel d.d. 3 september 2012. Het UWV had werkneemster immers in het gelijk gesteld. De kantonrechter bekijkt het deskundigenoordeel kritisch en stelt vast dat een recent advies van de bedrijfsarts d.d. 5 april 2012 niet door het UWV in de beoordeling is meegenomen. Het UWV heeft de arbeids(on)geschiktheid van werkneemster niet beoordeeld in het licht van de feitelijke werksituatie bij werkgeefster. De verzekeringsarts en/of de arbeidsdeskundige hebben geen contact gehad met de bedrijfsarts. Er is ook geen contact geweest met de werkgeefster over de feitelijk te verrichten werkzaamheden. Van de rapportage van het UWV is niet af te leiden dat werkneemster niet in staat was om in ieder geval gedurende 15 uren per week geheel of gedeeltelijk werkzaamheden te verrichten.

De kantonrechter concludeert daarom dat werkneemster op ondeugdelijke gronden geen (re-integratie)werkzaamheden heeft uitgevoerd. De loonvordering van werkneemster wordt afgewezen.

In dit geval komt het langdurig stilzitten, zonder geldige redenen, dus voor rekening en risico van de werkneemster. Verder blijft het van belang te toetsen of het deskundigenoordeel van het UWV zorgvuldig tot stand is gekomen (op basis van het volledige dossier, en/of na het horen betrokkenen en/of deskundigen).

Mocht u vragen hebben over rechten en plichten van de werkgever en de werknemer in het re-integratietraject, dan kunt u contact opnemen met een advocaat van de sectie Arbeidsrecht.