Verjaring vordering inzake bestuurdersaansprakelijkheid

dinsdag, 2 juli 2013

In een recent gepubliceerd arrest heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zittingsplaats Arnhem) geoordeeld dat de verjaring van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid aanvangt zodra de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door handelen van de betrokken persoon (bestuurder). Het daadwerkelijke tekortschieten van de bestuurde vennootschap hoeft hiervoor niet definitief te zijn vastgesteld. 

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het antwoord op de vraag op welk exact tijdstip hiervan sprake is, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden.

De casus waarover het hof Arnhem-Leeuwarden zich heeft gebogen is – kort gezegd – als volgt. De heer A, bestuurder van de failliete vennootschap X, wordt door B aansprakelijk gesteld voor schade die B heeft geleden doordat vennootschap X in de periode 1997/1998 tekort is geschoten in de nakoming van een agentuurovereenkomst. Bij arbitrale vonnissen op 10 november 2008 en 27 maart 2009 is vennootschap X veroordeeld tot betaling van € 4,6 miljoen aan B. Op die datum stelt B, de heer A persoonlijk aansprakelijk voor alle schade. B voert daarbij aan dat de heer A persoonlijk onrechtmatig jegens B heeft gehandeld doordat hij in zijn hoedanigheid van bestuurder van vennootschap X de toerekenbare tekortkomingen van vennootschap X in de nakoming van de agentuurovereenkomst heeft bewerkstelligd en daarbij tevens heeft bewerkstelligd dat vennootschap X geen verhaal meer biedt voor de vorderingen van B. De rechtbank heeft de vorderingen van B grotendeels toegewezen.

De heer A stelt zich in het hoger beroep bij het hof op het standpunt dat de vordering van B op grond van 3:310 lid 1 BW is verjaard, omdat B al in oktober 1997 bekend is geworden met de schade en de daarvoor (mogelijk) aansprakelijke persoon (de bestuurder) en hij desondanks geen actie heeft ondernomen tussen dat moment en 2009. B betwist dit, nu het bestaan van aansprakelijkheid van de heer A volgens B afhankelijk was van de aansprakelijkheid van vennootschap X uit hoofde van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de agentuurovereenkomst. Er bestond volgens B pas voldoende zekerheid over het feit dat de schade was veroorzaakt door foutief handelen van de heer A als bestuurder, nadat de aansprakelijkheid van vennootschap X in de arbitrale procedure was vastgesteld.

Uit de gestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat B reeds in 1997/1998 bekend was met het feit dat vennootschap X tekort was geschoten en dat de heer A de bestuurder was die dat handelen had bewerkstelligd. Reeds toen had B voldoende zekerheid verkregen dat de schade mede veroorzaakt was door foutief handelen van de heer A. Dat in 1997/1998 nog niet in rechte was vastgesteld dat vennootschap X was tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, betekent niet dat B destijds niet bekend was met de schadetoebrengende feiten, noch dat hij de heer A nog niet aansprakelijk kon stellen, dan wel de verjaring van diens aanspraken kon stuiten. Het hof verwerpt dan ook de stelling van B dat hij pas bekend werd met het feit dat de schade mede was veroorzaakt door onrechtmatig handelen van de heer A nadat de arbiters in 2009 hadden geoordeeld dat vennootschap X aan B een bedrag verschuldigd was en duidelijk werd dat vennootschap X dit bedrag niet betaalde.

Uit het voorgaande blijkt dat indien derden die de bestuurder van een vennootschap aansprakelijk willen stellen voor door hen geleden schade, zij goed moeten letten op het risico van verjaring van hun aanspraken. De verjaringstermijn vangt reeds aan op het moment dat de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door handelen van deze bestuurder. Het daadwerkelijke tekortschieten van de bestuurde vennootschap hoeft hiervoor niet (door een rechter of anderszins) te zijn vastgesteld. 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,JOR 2013/163. 

Auteur