Verhouding aandeelhoudersovereenkomst en statuten vennootschap; aandeelhoudersovereenkomst prevaleert in dit geval bij ontslag statutair bestuurder

maandag, 17 februari 2014

In een recente uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam in kort geding geoordeeld dat een aandeelhouder de andere aandeelhouders mag houden aan een aandeelhoudersovereenkomst, ondanks het feit dat in de statuten van de vennootschap een andersluidende bepaling staat.

Bij brief is Kekk B.V. (“Kekk”), statutair bestuurder en aandeelhouder (25%) van Redblue IT Professionals B.V. (“Redblue”), uitgenodigd voor de algemene vergadering van aandeelhouders, waarbij op de agenda onder meer het voorgenomen ontslag van Kekk als statutair bestuurder stond. Deze vergadering heeft om bepaalde redenen geen doorgang gevonden en Kekk vordert bij de kort geding rechter een verbod tot het nemen van een besluit tot ontslag van Kekk als statutair bestuurder van Redblue.

In het kader van voornoemde vordering van Kekk is het navolgende relevant. Artikel 13 lid 3 van de statuten van Redblue bepaalt onder meer dat een besluit tot ontslag van een bestuurder in de algemene vergadering kan worden genomen met een 2/3 meerderheid van de uitgebrachte stemmen in de ava, zulks in lijn met het bepaalde in artikel 2:244 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (“BW”). Artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst bepaalt daarentegen dat een dergelijk besluit alleen met unanimiteit van stemmen kan worden genomen.

Volgens Kekk is voorgenoemd artikel welbewust in de overeenkomst opgenomen om te voorkomen dat een bestuurder tegen zijn wil zou kunnen worden ontslagen (lees: Kekk zou dan namelijk zelf als aandeelhouder moeten instemmen met het besluit om hem als bestuurder te ontslaan), waarna ook de managementovereenkomst direct en zonder enige vergoeding zou kunnen worden opgezegd. Uitdrukkelijk is beoogd hiermee van de statuten af te wijken. In artikel 13 lid 4 van de aandeelhoudersovereenkomst is bovendien uitdrukkelijk bepaald dat bij strijd met de statuten de aandeelhoudersovereenkomst prevaleert.

Als verweer voeren de overige aandeelhouders aan dat artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst enkel is opgenomen om fiscale redenen en dat Kekk zich om die reden in dit geval niet op die bepaling zou kunnen beroepen. Bovendien bepaalt artikel 2:14 BW dat strijd met een dwingendrechtelijke bepaling leidt tot nietigheid van het besluit. Volgens de overige aandeelhouders gaat de statutaire bepaling dan ook voor op de bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst.

De vraag die de kort geding rechter in onderhavig kort geding onder meer heeft beantwoord is hoe de twee genoemde artikelen zich tot elkaar verhouden; artikel 13 lid 3 van de statuten en artikel 3.9 van de aandeelhoudersovereenkomst. Uitgangspunt hierbij is dat artikel 2:244 lid 2 BW meebrengt dat de bepaling dat een besluit tot ontslag van een bestuurder alleen met unanimiteit van stemmen kan worden genomen, niet in de statuten van een besloten vennootschap kan worden opgenomen. Dit laat naar het oordeel van de kort geding rechter echter onverlet dat een dergelijke afspraak in de aandeelhoudersovereenkomst kan worden opgenomen. Niet valt in te zien dat nakoming van een dergelijke afspraak niet zou kunnen worden gevorderd.

Afspraken die zijn neergelegd in een aandeelhoudersovereenkomst werken volgens de rechter op grond van artikel 2:8 BW (de redelijkheid en billijkheid binnen de organisatie) door in de vennootschappelijke rechtsverhouding. Dat het belang van de aandeelhouders bij nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst niet altijd parallel loopt met het vennootschappelijk belang, doet aan de gebondenheid aan een aandeelhoudersovereenkomst niet af. Dit neemt niet weg dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die ertoe kunnen leiden dat de onverkorte nakoming van een aandeelhoudersovereenkomst op grond van artikel 2:8 BW niet van een aandeelhouder kan worden verlangd. Dat zal zich kunnen voordoen als het belang van de vennootschap door onverkorte naleving van de aandeelhoudersovereenkomst, afgezet tegen het daarmee gediende aandeelhoudersbelang, in onaanvaardbare mate wordt geschaad.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan Kekk dit niet zou kunnen doen, is in dit geding onvoldoende gebleken. De kort geding rechter verbiedt dan ook in onderhavig geschil de overige aandeelhouders in de aandeelhoudersvergadering van Redblue, totdat een rechter anders beslist, een besluit te nemen tot het ontslag van Kekk als statutair bestuurder van Redblue.

Rechtbank Amsterdam (kort geding) 16 januari 2014, gepubliceerd 23 januari 2014, ECLI:RBAMS:2014:193