Verdelen/verrekenen anders dan bij helfte: redelijk?

dinsdag, 22 januari 2013

Een ontbonden huwelijksgemeenschap dient in beginsel bij helfte te worden verdeeld. Zijn de echtgenoten in de huwelijkse voorwaarden een finaal verrekenbeding overeengekomen, dan dienen zij bij het einde van het huwelijk in beginsel de helft van de waarde van de te verrekenen vermogensbestanddelen met elkaar te verrekenen. In twee recente uitspraken van rechtbanken werd op grond van de redelijkheid en billijkheid afgeweken van een verdeling/verrekening bij helfte. Wat waren de feiten en omstandigheden op basis waarvan de rechtbanken oordeelden dat onverkorte toepassing van de hoofdregel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was?

De huwelijksgemeenschap eindigt op het moment dat het echtscheidingsverzoek door één der echtgenoten wordt ingediend (voor 1 januari 2012 was dit nog de datum van echtscheiding) of de datum van overlijden van één van de twee echtgenoten. Vervolgens dient de ontbonden huwelijksgemeenschap, naar de samenstelling daarvan bij het einde van de gemeenschap, bij helfte tussen de echtgenoten te worden verdeeld. Wanneer echtgenoten op huwelijkse voorwaarden zijn gehuwd, waarin een finaal verrekenbeding is opgenomen, geldt de hoofdregel dat zij bij het einde van hun huwelijk conform het finaal verrekenbeding met elkaar moeten afrekenen. Meestal bepaalt dat finaal verrekenbeding dat bij echtscheiding tussen de echtgenoten moet worden afgerekend alsof er sprake was van een algehele gemeenschap van goederen. Zodoende is ook bij verrekening op basis van een finaal verrekenbeding de hiervoor geformuleerde hoofdregel bij verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap (verdeling bij helfte) van toepassing.

Rechtbank Den Haag 1 augustus 2012

In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 1 augustus 2012 (nr 413468 / HA ZA 12-229) waren de echtgenoten in 1965 gehuwd in gemeenschap van goederen en hadden zij reeds in 1975 hun relatie feitelijk beëindigd. Het huwelijk bleef echter in stand tot het overlijden van de vrouw in 2011. Na haar overlijden ontstond er tussen de man en de erfgenaam van de vrouw een geschil over de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De man stelde zich op het standpunt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid afgeweken moest worden van een verdeling bij helfte omdat de echtgenoten 36 jaar gescheiden van elkaar hadden geleefd en in die periode geen enkel contact met elkaar hadden. Door de erfgenaam van de vrouw werd de uiteenzetting van de man over hoe het huwelijk er sinds 1975 heeft uitgezien, niet weersproken. Op het moment dat de echtgenoten feitelijk uiteengingen, hadden zij geen noemenswaardige bezittingen. De man verzocht de peildatum voor de omvang van de gemeenschap in afwijking van de hoofdregel vast te stellen op de datum van het feitelijk uiteengaan, zodat ieder van de echtgenoten het vermogen kon behouden dat door hem/haar sindsdien was opgebouwd.

De rechtbank volgde het betoog van de man. De rechtbank oordeelde dat gedurende de laatste 36 jaar geen sprake was van enig kenmerk van een echt huwelijk. De echtgenoten leefden alsof er geen huwelijk meer bestond en hadden geen enkele bijdrage in de opbouw van elkaars vermogen geleverd. De eisen van redelijkheid en billijkheid brachten met zich dat op basis van deze omstandigheden uitgegaan moest worden van de omvang van de gemeenschap bij het feitelijk uiteengaan van de echtgenoten. De waarde van de gemeenschap was op dat moment nihil, zodat er niets tussen partijen te verdelen was. Aan de erfgenaam van de vrouw kwam slechts toe hetgeen door de vrouw sinds 1975 was opgebouwd.

Overigens zij vermeld dat de erfgenaam van deze uitspraak in hoger beroep is gegaan, zodat de uitspraak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan (nog geen definitieve rechtskracht heeft gekregen).

Rechtbank Utrecht 21 november 2012

De andere recente uitspraak, waarin de redelijkheid en billijkheid noopten tot een afwijking van de hoofdregel, was van de Rechtbank Utrecht van 21 november 2012 (LJN BY4234). In die zaak waren de echtgenoten gehuwd op huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding, inhoudende dat er moest worden afgerekend alsof er sprake was van een gemeenschap van goederen. De vrouw stelde zich echter op het standpunt dat bepaalde schulden van de man buiten het te verrekenen vermogen moesten blijven. Het ging om schulden, door de man tijdens het huwelijk aangegaan, ten behoeve van zijn onderneming. De vrouw wist door toedoen van de man niet van het bestaan van deze schulden, noch dat het niet goed ging met zijn bedrijf. Een strikte toepassing van het verrekenbeding zou naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de eisen van redelijkheid en billijkheid een beperkende werking kunnen hebben op de uitleg van een finaal verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden. De rechtbank stelde vast dat partijen hun huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan met als doel om het zakelijke risico van de onderneming van de man weg te houden uit de privésfeer. Vast kwam te staan dat partijen voorheen, wanneer zij schulden aangingen, dit met elkaar afstemden. Op grond van de lotsverbondenheid die inherent is aan het huwelijk en de onderlinge afspraak van partijen om altijd eerlijk tegen elkaar te zijn over het aangaan van schulden, had de man de vrouw over deze schulden moeten informeren. Door te zwijgen zoals de man deed, heeft hij de vrouw de kans ontnomen om in te grijpen en de schade te beperken. De rechtbank oordeelde dat de man daarom in strijd had gehandeld met de, in de akte huwelijkse voorwaarden verankerde, bedoeling van partijen. De vrouw zou in de schuldsanering terecht komen wanneer het finaal verrekenbeding onverkort zou worden toegepast en zij daardoor voor de helft draagplichtig zou worden in de totale schuldenlast. Deze gevolgen achtte de rechtbank onaanvaardbaar. Aldus paste zij in deze zaak de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toe op het finaal verrekenbeding door de vrouw te ontslaan van haar draagplicht in deze schulden.

Conclusie

Beide aangehaalde uitspraken illustreren maar weer eens dat het gedrag van de echtgenoten en de overige omstandigheden tijdens hun huwelijk van grote invloed kunnen zijn op de wijze waarop zij bij het einde van hun huwelijk met elkaar moeten verdelen en/of verrekenen. Leidt dit tot onaanvaardbare gevolgen, dan kan de rechter de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid toepassen. Op basis daarvan kan worden afgeweken van de geldende hoofdregels die neerkomen op een verdeling en/of verrekening bij helfte.

De spiegelbeeldige situatie komt overigens ook voor. Bestaat tussen partijen geen huwelijksgemeenschap en zijn zij in de huwelijkse voorwaarden koude uitsluiting overeengekomen, dan hoeven zij niets met elkaar te verdelen en/of te verrekenen (er kunnen wel over en weer vergoedingsrechten bestaan). Er is echter al veel jurisprudentie verschenen waarbij de rechtbank oordeelde dat, ondanks het bestaan van dergelijke huwelijkse voorwaarden, partijen met elkaar moesten afrekenen als ware er sprake van een gehele of gedeeltelijke gemeenschap van goederen. In veel van die gevallen gedroegen de echtgenoten zich niet naar het voor hen toepasselijke vermogensrechtelijke regime van gescheiden vermogens. Onder toepassing van de redelijkheid en billijkheid werd dat gedrag door de rechter ‘afgestraft’, door te oordelen dat strikte toepassing van de koude uitsluiting tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daardoor behoorde een verdeling/verrekening bij helfte juist wel tot de mogelijkheden.

Hoewel de hoofdregels, die gelden bij verdeling van een huwelijksgemeenschap en bij verrekening op basis van gemaakte huwelijkse voorwaarden, te allen tijde als uitgangspunt blijven gelden, kunnen de redelijkheid en billijkheid daar een behoorlijke inbreuk op maken. Als overige juridische argumenten tekortschieten om de door één van beide partijen gewenste verdeling/verrekening te verkrijgen, kunnen de redelijkheid en billijkheid vaak als laatste strohalm dienen. Dikwijls blijkt die strohalm bestendig tegen op het eerste gezicht sterke juridische tegenargumenten. De rechter zal er echter voor moeten waken dat daardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt.

Meer informatie:
Rechtbank Utrecht 21 november 2012, LJN BY4234