Vennootschap verhaalt opgelegde boete op haar bestuurder

woensdag, 2 september 2009

Een besloten vennootschap is een boete opgelegd in verband met een schending van de artikelen 3 en 4 van het Sanctiebesluit financiële dienstenverkeer en betalingsverkeer Irak. De Vennootschap zou in 2001 via een kick-back betaling indirect geld ter beschikking hebben gesteld aan het Iraakse regime. Dat is een economisch delict. Ter voorkoming van strafvervolging heeft de Vennootschap een transactiebedrag van bijna € 175.000 betaald. De Vennootschap wilde dit bedrag vervolgens verhalen op haar indirect bestuurder, de heer X. 

De Vennootschap werd bij deze gewraakte handelingen vertegenwoordigd door haar bestuurder (verder: de Bestuurder), eveneens een besloten vennootschap, die op haar beurt werd vertegenwoordigd door de heer  X (verder: X).

De Vennootschap is op verdenking van dit strafbaar feit  in 2007 gedagvaard voor de politierechter. Ter voorkoming van strafvervolging heeft de Vennootschap (daarbij niet langer vertegenwoordigd door de Bestuurder) een transactiebedrag van bijna € 175.000 betaald.

De Vennootschap wilde dit bedrag vervolgens verhalen op de bestuurder en op X. X heeft de aan hem toegeschreven feitelijke gedragingen niet betwist. Wel heeft hij betwist dat hij wist dat die gedragingen strafbaar waren, maar die betwisting houdt geen stand, gelet op eerdere verklaringen van X afgelegd bij de FIOD. X wist, althans heeft, volgens de rechtbank, willens en wetens de kwade kans aanvaard, dat de gewraakte handelingen strafbaar waren.

Het is volgens de rechtbank niet relevant of de bepalingen uit het Sanctiebesluit strekten tot bescherming van de belangen van de Vennootschap, zoals door X als verweer was aangevoerd. Volgens de rechtbank gaat het er om of het gewraakte handelen een onmiskenbare tekortkoming oplevert waarbij sprake is van ernstige verwijtbaarheid en waarover geen verstandig ondernemer twijfelt.

In zijn algemeenheid kan volgens de rechtbank worden gezegd dat geen verstandig bestuurder er over kan twijfelen dat hij bij het drijven van de onderneming zich dient te onthouden van het plegen van strafbare feiten. Dat is te meer zo nu het in dit geval gaat om economische delicten, die immers de kern van het ondernemerschap betreffen. Dat X desondanks de overeenkomst volledig heeft doorgezet, is dus in beginsel een onmiskenbare tekortkoming.

Het ligt anders indien de Vennootschap, dat wil zeggen haar commissarissen en aandeelhouders, ervan op de hoogte waren dat X handelde zoals hij heeft gedaan en zij met hem meenden dat de overeenkomst koste wat het kost gesloten moest worden. Dat was in casu echter niet het geval.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat de Bestuurder en X hun taak als bestuurder onbehoorlijk hebben vervuld, zoals bedoeld in artikel 2:9 BW, waardoor X onrechtmatig jegens de Vennootschap heeft gehandeld en de Bestuurder jegens haar is tekortgeschoten Zij dienen de schade die daarvan het gevolg is te vergoeden. De schade werd door de rechtbank vastgesteld op het integrale transactiebedrag..

Over de juridische constructie van de rechtbank valt te discussiëren, schending van artikel 2:9 levert immers een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid op, maar een andere constructie zou waarschijnlijk tot dezelfde uitkomst hebben geleid.