VEB en Deminor stellen Staat aansprakelijk voor schade aandeelhouders Fortis

donderdag, 5 februari 2009

De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en Deminor International SCRL (“Deminor”) hebben op 28 januari 2009 de Nederlandse Staat aansprakelijk gesteld voor schade die aandeelhouders van Fortis hebben geleden door het handelen van de Staat tussen 29 september 2008 en 4 oktober 2008. De VEB is onder meer van oordeel dat de Nederlandse Staat door middel van dwingend optreden een prijs heeft weten te bedingen voor onderdelen van Fortis die niet gebaseerd was op een onafhankelijke waardering. Ook zou de Nederlandse Staat zonder enige noodzaak ook de verzekeringsactiviteiten van Fortis in de transactie hebben betrokken.

Het beleid en de gang van zaken bij Fortis zijn reeds op verzoek van de VEB onderwerp van een door de Ondernemingskamer bevolen enquête[1]. Volgens de VEB blijkt de reden om aan een juist beleid van Fortis te twijfelen onder andere uit de transactie die Fortis op 3 oktober 2008 heeft gesloten met de Nederlandse Staat en nagenoeg gelijktijdig blijkt te hebben uitgevoerd. Bij deze transactie zijn vrijwel alle Nederlandse activiteiten van Fortis aan de Staat verkocht.

De VEB en Deminor concluderen in verband met het bovenstaande, dat de Staat jegens de (toenmalige) aandeelhouders van Fortis onrechtmatig heeft gehandeld. Zij refereren in hun brief van 28 januari 2009 aan de door Fortis zelf ingenomen stelling, dat in de eerste dagen van oktober 2008 een situatie is ontstaan waarin Fortisgeen enkele keuze had dan om haar Nederlandse bancaire activiteiten aan de Staat te vervreemden. Dit, om zo het vertrouwen van de markt in het bankbedrijf te herstellen. De VEB en Deminor concluderen dat Fortis zich jegens de Staat toen in een dwangpositie bevond, alsmede dat de Staat van die dwangpositie misbruik heeft gemaakt. Daartoe voeren zij het volgende aan:

(1) de Staat heeft een prijs voor de activiteiten bedongen die niet gebaseerd was op een onafhankelijke waardering, maar daarbij zelfs significant achterblijft; en

(2) de Staat heeft zonder enige noodzaak ook de verzekeringsactiviteiten van Fortis in de transactie betrokken, terwijl de bank herhaaldelijk heeft aangegeven dat zij die activiteiten niet wenste te verkopen.

De handelwijze van de Staat klemt volgens de VEB en Deminor temeer, nu zij zelf heeft bijgedragen aan de noodtoestand waarmee Fortis werd geconfronteerd. Namelijk, doordat de Staat onmiddellijk voorafgaand aan de transactie twijfels heeft gezaaid over de levensvatbaarheid van Fortis. Ook zou zij Fortis in het vooruitzicht hebben gesteld dat de bank, behoudens instemming met een transactie op door de Staat gedicteerde voorwaarden, onder toezicht van De Nederlandsche Bank zou worden gesteld.

VEB en Deminor besluiten hun brief door te stellen dat de handelwijze van de Bank niet alleen verwijtbaar is jegens Fortis, maar ook jegens haar (toenmalig aandeelhouders), omdat voor een transactie als hier aan de orde is, volgens de wet (art. 2:107a BW) goedkeuring van de aandeelhouders is vereist. Door het bestuur van Fortis te dwingen dit recht van de aandeelhouders te negeren en Fortis te dwingen een transactie aan te gaan die zij niet wenste, is door de Staat ook onrechtmatig gehandeld jegens de aandeelhouders.

Gelet op het misbruik maken van de noodtoestand bij Fortis in oktober 2008, zijn de VEB en Deminor van oordeel dat de Staat gehouden is om de door de aandeelhouders van Fortis geleden schade te compenseren.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

[1] OK Hof Amsterdam, 24 november 2008, JOR 2009/9.