Vanaf 01-01-2013 : Scheiden van wonen en zorg een feit: bent u er klaar voor?

woensdag, 10 oktober 2012

In de voorjaarsnota 2012 (“Kunduz-Akkoord”) is bepaald dat het ‘Scheiden van wonen en zorg’ voor de intramurale ouderenzorg versneld ingevoerd gaat worden, en wel per januari 2013. Dit zal gaan gelden voor de zorgzwaartes ZZP1, ZZP2 en ZZP3. De miljoenennota is in grote lijnen een herhaling van het Kunduz-akkoord. Dat betekent dat er vele veranderingen op hele korte termijn doorgevoerd moeten gaan worden.

Zorginstellingen en hun cliënten krijgen door deze wijziging een nieuwe juridische positie, te weten die van verhuurder en huurder. Om leegstand te voorkomen en om financieel gezond te blijven, hebben zorginstellingen slechts een paar maanden de tijd om zich (juridisch) voor te bereiden en aan te passen aan deze wijzigingen.

Scheiden van wonen en zorg

Het kabinet kiest ervoor om wonen en zorg te scheiden, hetgeen betekent dat cliënten zelf voor hun woonruimte gaan betalen. Aanleiding is de stijgende zorgkosten intramuraal, dreigende personeelstekorten en het feit dat de AWBZ dusdanig is uitgedijd, dat bezuinigingen onoverkomelijk zijn. Daarnaast is het de bedoeling dat bewoners van instellingen hierdoor meer keuzevrijheid krijgen en dat meer huisvestingsvarianten worden aangeboden om tegemoet te komen aan hun woonwensen. De zorg wordt apart gefinancierd via de zorgverzekeringswet, Wmo, AWBZ en eventueel via eigen middelen. Er ontstaat derhalve een juridische en een financiële scheiding tussen wonen/verblijf en zorg.

Voor de huidige cliënten verandert er naar alle waarschijnlijkheid nog niets. Maar de partijen achter het Begrotingsakkoord waarschuwen alvast: "Aangezien de extramuralisering over de gehele AWBZ breed wordt ingevoerd, is rekening gehouden met een ingroei pad over meerdere jaren.”

Nieuwe cliënten die in 2012 nog in aanmerking zouden komen voor een licht zorgzwaartepakket en een indicatie voor zorg in een instelling (intramuraal) hebben, zullen in 2013 de indicatie extramuraal krijgen. Het betreft bijvoorbeeld cliënten die voorheen een indicatie zouden hebben ontvangen voor VV 1 t/m 3, GGZ 1b/c t/m 3b/c, VG 1 t/m 3 en LVG 1 t/m 2. Deze cliënten kunnen nog wel in een intramurale instelling terecht, maar dan alleen op basis van een huurcontract. Hierbij dient de rekening voor intramuraal verblijf te worden gesplitst in die voor bewoning èn verpleging en/of verzorging. De bewoners gaan vanaf die datum dus huur betalen in plaats van een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage.

Hebt u ook aan het volgende gedacht?

De scheiding wonen en zorg roept veel vragen op. Op dit moment, maar ook in het verleden is er altijd veel discussie geweest over de vraag welke huurregime van toepassing in geval er sprake is van een combinatie van wonen en zorg. De hoeveelheid verpleging en/of zorg die wordt verstrekt, is bij deze beantwoording van deze vraag van groot belang.

Er bestaat inmiddels veel jurisprudentie over de combinatie van huur en verzorging in één of meerdere overeenkomst(en). Veelal draait het daarbij om de vraag of de wettelijke regels ten aanzien van huur en verhuur van woonruimte van toepassing zijn op de overeenkomst(en).

In het geval er sprake is van huur/verhuur van woonruimte zullen de zorginstellingen geconfronteerd worden met de dwingendrechtelijke huurbescherming van huurders. Een huurovereenkomst zal niet ‘zomaar’ beëindigd kunnen worden, ook niet als de verzorging/verpleging op enig moment eindigt.

Daarnaast rijst de vraag hoe er omgegaan moet worden met cliënten die om welke reden dan ook verhuisd/verplaatst moeten worden, al dan niet vanwege een medische reden? Welke huurprijs kan er in rekening gebracht worden en hoe wordt deze samengesteld? Wanneer wordt een woning als een zelfstandige of een onzelfstandige woning aangemerkt? En wat zijn de consequenties hiervan voor de huurrechtelijke bescherming en de samenstelling van de huurprijs? Hoe moet er omgegaan worden met (klein) onderhoud van de woningen?

De huurwetgeving houdt namelijk (nog) geen rekening met zorggerelateerde bouwkundige voorzieningen, zoals gemeenschappelijke ruimten, bredere gangen, zusterpost et cetera. Ook worden er in het woningwaarderingstelsel geen punten toegekend voor de aanvullende voorzieningen die veelal in verpleeghuizen aanwezig zijn, terwijl deze uiteraard wel extra investeringen vergen, maar de huurprijs er feitelijk niet op gebaseerd kan worden.

Veel zorginstellingen hebben daarnaast vaak langlopende contracten met woningbouwcorporaties, welke over het algemeen niet zijn ingericht op de gevolgen van het scheiden van wonen en zorg. Een inventarisatie van de huurcontracten binnen de vastgoedportefeuille is derhalve noodzakelijk. Het leegstandsrisico ligt immers over het algemeen bij de hurende partij (lees: de zorginstelling). Ook is onderhuur niet in alle gevallen toegestaan.

Ook rijst bij vele zorginstellingen de vraag of een zorginstelling haar cliënten kan verplichten om naast het huurcontract ook een zorgcontract met haar af te sluiten? Het opleggen van een verplichting aan huurders om zorg af te nemen van één specifieke zorgverlener is in beginsel toegestaan. Wel kan het mededingingsrecht beperkingen stellen aan de omvang / reikwijdte van de koppeling tussen zorgafname en huur als er als gevolg van de koppeling uitsluitingseffecten optreden waardoor de concurrentie tussen zorgaanbieders verminderd of zelfs geheel uitgesloten wordt.

Kortom, een relatief kleine wijzigingen met grote gevolgen en nog vele onzekerheden voor de zorginstellingen, maar ook voor de (toekomstige) cliënten.