Van oud naar nieuw: een vergelijking

maandag, 12 juni 2006

De Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarmee verband houdende (wijzigings)wetten doen een groot beroep op de flexibiliteit van alimentatierekenaars. Bovendien heeft het nieuwe belastingstelsel de Werkgroep alimentatienormen tot een herbezinning gedwongen. De Werkgroep is flexibel ingesprongen op de gewijzigde fiscale situatie. Dat moest ook wel, want zonder nieuw alimentatierekenmodel zou het alimentatierekenen vanaf 2001 onmogelijk zijn geworden. Het valt de werkgroep niet te verwijten, dat het nieuwe model pas in januari 2001 gepubliceerd wordt, want het Ministerie van Financiën heeft eerst op een buitengewoon laat moment duidelijkheid verschaft over de fundamentele beginselen en de uitwerking van het nieuwe fiscale stelsel. In dit artikel wordt een casus omschreven en wordt een draagkrachtberekening, zoals die tot 1 januari 2001 werd gemaakt, vergeleken met een draagkrachtberekening volgens Trema 2001. Verder wordt aandacht gevraagd voor de in de Tremanormen 2001 gemiste flexibiliteit. 

Casus 
Jan en Mary gaan scheiden. Zij hebben drie kinderen van 8, 5 en 3 jaar oud en vormen een traditioneel gezin. Jan geniet een inkomen uit loondienst ter grootte van ƒ 9.000,-- bruto per maand excl. vakantiegeld. Voorts ontvangt hij van zijn werkgever jaarlijks een bonus van ƒ 20.000,--. De werkgever betaalt een bijdrage in de premie ziektekostenverzekering ter grootte van ƒ 3.000,--. Op het salaris van Jan wordt een premie van ƒ 6.240,-- ingehouden voor zijn pensioenvoorziening.
De echtelijke woning van Jan en Mary heeft een WOZ-waarde van ƒ 400.000,--. De aflossingsvrije hypothecaire schuld bedraagt ƒ 200.000,-- en Jan betaalt een hypotheekrente van ƒ 10.600,-- per jaar. 
Verder hebben Jan en Mary onlangs een appartement in Amsterdam gekocht voor ƒ 500.000,--. Op 1 kamer na is dat appartement geheel verhuurd. De huuropbrengst bedraagt ƒ 1.200,-- per maand. Ten behoeve van de aankoop werd een hypothecaire geldlening afgesloten van ƒ 300.000,-- met een renteverplichting van ƒ 15.900,-- per jaar.
Jan is bereid een kinderalimentatie te betalen van ƒ 600,-- per kind per maand.

Draagkrachtberekening 2000

In 2000 zag de draagkrachtberekening er als volgt uit:
Jaarinkomen uit arbeid 108000,00
Vakantiegeld 8640,00
Bonus 20000,00
Pensioenpremie 6240,00 -
---------
Inkomen voor premies werknemersverzekeringen 130400,00
Werknemersverzekeringen 3380,00 -
Werkgeversbijdrage premie ziektekostenverzekering 3000,00
Overhevelingstoeslag 1830,00
Huurinkomsten 14400,00
---------
Belasting- en premieplichtig inkomen 146250,00
Aftrekbare lasten 
Arbeidskosten 3538,00 -
Huurwaardeforfait 6250,00 +
Hypotheekrente 15900,00 -
Rente hypotheek tweede woning 10600,00 -
Aftrek kind 1 2700,00 -
Aftrek kind 2 1900,00 -
Aftrek kind 3 1900,00 -
Belastingvrije som 8950,00
---------
Belastbare som 107012,00
Premies volksverzekeringen 14404,00 -
Inkomstenbelasting 32580,00 -
--------
Netto jaarinkomen 99266,00
Netto maandinkomen 8272,00
Draagkrachtloos inkomen incl. hyp.rente tweede woning ad ƒ 833,- 4515,00 -
--------
Draagkrachtruimte 3757,00
Voor alimentatiegerechtigde beschikbaar 60% 2254,00
Kinderalimentaties 1800,00 -
--------
Voor alimentatie beschikbaar 454,00
Belastingvoordeel over alimentatie 454,00
--------
Bruto partneralimentatie 908,00
Draagkrachtberekening 2001 
In de hieronder omschreven berekening volgens Trema 2001 en ib 2001 wordt uitgegaan van de percentages inkomstenbelasting, de belastingschijven alsmede van de bijstandsnorm, zoals die bekend waren in december 2000. Verder zijn de heffingskortingen toegepast, zoals die gelden in 2001.
Box I Inkomen uit werk en woning
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking 108000,00 Brutering wegens vervallen overhevelingstoeslag (1.9%) 1745,00 Vakantietoeslag 8780,00 Bonus 20000,00 --------- Totaal loon 138525,00 Pensioenpremies 6240,00 - --------- Loon voor premies werknemersverzekeringen 132285,00 Premie WW 3393,00 - Werkgeversbijdrage ziektekostenverzekering 3000,00 ---------
Belastbaar loon 131892,00
Belastbare winst uit onderneming 0,00
Eigenwoningforfait 6250,00
Rente hypothecaire schuld 15900,00 -
--------
Belastbare inkomsten uit eigen woning 9650,00 - 9650,00 -
Belastbaar inkomen uit werk en woning 122242,00
Inkomensheffing box I 49252,00 -
---------
Netto inkomsten box I 72990,00
Box II Inkomen uit aanmerkelijk belang 0,00
Box III Inkomen uit sparen en beleggen 
Werkelijke inkomsten uit onroerende zaken 14400,00 
Rente en kosten van schulden 10600,00 -
---------
Werkelijke vermogensinkomsten 3800,00
Grondslag forfaitair rendement 161215,00
Forfaitair rendement 4% 6449,00
Inkomstenbelasting box III (30%) 1935,00
Inkomen voor aftrek inkomensheffing 135692,00
Inkomensheffing/inkomstenbelasting 51186,00
Algemene heffingskorting 3473,00 -
Arbeidskorting 2027,00
----------
Standaard heffingskorting 5500,00
Verschuldigde inkomensheffing 45686,00 -
---------
Besteedbaar inkomen per jaar 90005,00
Besteedbaar inkomen per maand 7500,00
Draagkrachtloos inkomen 3682,00 -
---------
Draagkrachtruimte 3818,00
Beschikbaar voor alimentatie (60%) 2291,00
Bruto alimentatie eerdere ex-partner 0,00 -
Voordeel i.v.m. betaalde 
alimentatie eerdere ex 0,00 +
Kinderalimentatie incl. WSF 1800,00 -
Buitengewone lasten-aftrek 6500,00
Nieuw inkomen box I 115742,00
Belasting box I 45872,00
Nieuw inkomen box III 6449,00
Te betalen belasting box III 1935,00
Belastingheffing oud 51186,00
Belastingheffing nieuw 47807,00 -
---------
Voordeel over kinderalimentatie per jaar 3380,00
Voordeel per maand 282,00 +
---------
Partneralimentatie voor toerekening belastingvoordeel 773,00
Voordeel in box I 793,00
Voordeel in box III 0,00
Voordeel in box II 0,00
---------
Alimentatie incl. belastingvoordeel 1566,00

De vergelijking

Een vergelijking van beide berekeningen leert, dat Jan in 2000 een alimentatie kan betalen van ƒ 908,00. In 2001 wordt zijn draagkracht geraamd op ƒ 1.566,--. 
De veel gehoorde vraag is of dat anders zou zijn, als Jan 60 jaar was geweest, geen kinderalimentatie meer zou hoeven te betalen, een lijfrente-uitkering zou genieten van ƒ 3.000,-- bruto per maand en een (liquide) vermogen zou hebben van ƒ 2.000.000,--. Zou worden uitgegaan van een fictief rendement van 7%, dan laat een draagkrachtberekening volgens Trema en ib 2000 een draagkracht zien van ƒ 7.241,--. Een draagkrachtberekening volgens Trema en ib 2001 geeft een draagkracht van ƒ 7.783,--. Dat is relatief geen spectaculair verschil. Zou het fictief rendement uit vermogen gesteld worden op 4%, dan zou de alimentatiedraagkracht van Jan volgens systeem 2000 bedragen ƒ 3.917,-- en volgens systeem 2001 ƒ 3.807,--. Ook dat verschil is niet groot. 

Fictief rendement
Voor berekening van de draagkracht van Jan is het belangrijk te weten, van welk rendement over een vermogen van ƒ 2.000.000,-- bij het alimentatierekenen uit moet worden gegaan. Het werkelijke rendement zou het uitgangspunt moeten zijn. Mogelijk heeft Jan echter zijn vermogen zodanig belegd, dat rendementen pas na jaren blijken. Dan zal uitgegaan moeten worden van een fictief rendement. In de wandelgangen wordt wel gehoord dat het in het kader van het bepalen van de alimentatiedraagkracht redelijk zou zijn uit te gaan van een fictief rendement van 4%, zijnde het forfaitaire rendement van box III. Het een en het ander heeft evenwel niets met elkaar te maken. Minimaal zou uitgegaan moeten worden van het rendement, dan wordt geboekt bij een conservatieve belegging. De staatsleningen leveren thans een rendement op van ruim 5%, gegarandeerd gedurende 15 jaar. Wellicht zou daarbij aansluiting kunnen worden gezocht voor het bepalen van een fictief rendement. 

Flexibiliteit 
Zou Jan in de bovenvermelde casus zijn gaan samenwonen met een partner, die een ruim eigen inkomen heeft, dan zou de helft van de netto woonkosten en van andere gezamenlijke lasten voor rekening moeten komen van Jan. De andere helft komt dan automatisch voor rekening van de nieuwe partner. Het is jammer dat dat door Trema 2001 als een hard gegeven wordt gepresenteerd.
In de praktijk was het tot nu toe gebruikelijk de woonlasten en andere gezamenlijke lasten over de alimentatieplichtige en zijn nieuwe partner te verdelen naar rato van het inkomen van ieder van hen. Dat is veel redelijker. Als de nieuwe partner van Jan een inkomen geniet ter grootte van tweemaal het inkomen van Jan, dan is het over het algemeen redelijk 1/3 van de lasten aan Jan en 2/3 aan zijn partner toe te rekenen.

In Trema 2001 wordt de keuze voor het draagkrachtpercentage van 60% of 45% in de bruto methode gepresenteerd als een “hard gegeven”. In sommige gevallen is het redelijk uit te gaan van een hoger of van een lager draagkrachtpercentage, dan het percentage dat Trema als uitgangspunt neemt. Verwezen zij naar mr. P. ten Hoeve “Trematologie, een beetje een zwartboek eigenlijk . . . . “ in NJB van 24 mei 1996 pag. 793 e.v. en naar de artikelen van schrijver dezes in EB 1996 nr. 11/12, 1998 nr. 6 en 1999 nr. 10. Die flexibiliteit zou in het Tremarapport tot uitdrukking mogen worden gebracht, opdat afwijking van de hoofdregel (het gekozen draagkrachtpercentage zou uitgangspunt moeten blijven) in specifieke gevallen daadwerkelijk wordt toegepast.