Vakantie: Hoe dient de waarde van een bij einde dienstverband uit te betalen niet-opgenomen vakantiedag te worden berekend?

maandag, 1 oktober 2012

Een werknemer heeft bij het einde van het dienstverband recht op uitbetaling van het openstaande saldo aan niet-genoten vakantiedagen. De waarde per vakantiedag is gelijk aan één dag loon. Uit de wet blijkt echter niet van welk loonbegrip uit dient te worden gegaan. In de praktijk baseren werkgevers de waarde van een uit te betalen vakantiedag vaak op het vaste salaris, vermeerderd met vakantietoeslag. Dat terwijl, de Hoge Raad al in 1990 heeft geoordeeld dat er in dit verband uit dient te worden gegaan van een ruim loonbegrip. Desondanks wordt zelden geprotesteerd over de uitbetaling van niet genoten-vakantiedagen, laat staan dat er over wordt geprocedeerd. Onlangs is er toch een werknemer geweest die hierover een procedure is gestart.

Werknemer had per einde dienstverband ruim 600 niet opgenomen vakantie-uren. De werkgever had deze uren uitbetaald op basis van het vaste salaris inclusief vakantietoeslag daarover. De werknemer stelde zich op het standpunt dat ook de uitgekeerde bonussen en het werkgeversdeel pensioenpremie meegerekend dienden te worden bij de vaststelling van de waarde van de vakantiedagen.

In de rechtspraak van het Hof van Justitie EU is al eerder uitdrukkelijk bepaald dat een werknemer tijdens zijn vakantie het normale loon dient te ontvangen en dat tot dat gebruikelijke loon elke last behoort die intrinsiek samenhangt met de uitvoering van de taken die de werknemer zijn opgedragen in zijn arbeidsovereenkomst en waarvoor hij een financiële vergoeding ontvangt. Het is vervolgens aan de nationale rechter om dit te beoordelen.

Met inachtneming van deze Europese rechtspraak oordeelde de kantonrechter te Utrecht in deze zaak dat de bonus een vergoeding vormde voor de uitvoering van aan de werknemer opgedragen taken, nu deze bonus deels afhankelijk was van de eigen prestatie van de werknemer en ook systematisch was verstrekt. De bonus diende volgens de kantonrechter daarom te worden meegenomen in de berekening van het vakantieloon waarbij de kantrechter uitging van een gemiddelde over de voorliggende vijf jaren. Ook het werkgeversdeel pensioenpremie diende volgens de kantonrechter te worden meegenomen omdat de werknemer bij de uitbetaling van de vakantiedagen niet in een nadeliger positie dient te komen dan wanneer hij in dienst was gebleven en vakantiedagen had opgenomen.

Een andersoortige geldelijke uitkering, zoals bijvoorbeeld een winstdeling, hoeft mogelijk niet te worden meegenomen als deze niet intrinsiek samenhangt met de taken van de werknemer. Het blijft de vraag of de rechtspraak over het ruime loonbegrip ertoe leidt dat de waarde van een vakantiedag in de praktijk hoger zal worden vastgesteld maar een werknemer kan er een discussie over aanzwengelen vooral als er in het verleden structureel bonussen zijn uitgekeerd die direct verband houden met de geleverde prestaties van de werknemer.

Auteur