Umbrella pricing: karteldeelnemers soms ook aansprakelijk voor gedragingen concurrenten buiten kartel

woensdag, 8 oktober 2014

Artikel 101 VWEU verbiedt EU lidstaten categorisch uit te sluiten dat karteldeelnemers civielrechtelijk aansprakelijk worden gehouden voor schade die voortvloeit uit het feit dat een niet aan het kartel deelnemende onderneming, gelet op de praktijken van dat kartel, hogere prijzen heeft toegepast dan de prijzen die zij zonder het kartel had kunnen hanteren. Met andere woorden: kartelslachtoffers kunnen onder omstandigheden de karteldeelnemers ook aanspreken voor schade veroorzaakt door hun concurrenten, die buiten het kartel bleven.

Op dit blog bespraken wij eerder dit jaar de Opinie van Advocaat-Generaal Kokott, die het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof”) moest adviseren inzake C-557/12, Kone AG. Inmiddels heeft het Hof arrest gewezen. Het is een opvallende uitspraak.

Achtergrond

De Europese rechter diende in deze zaak een oordeel te vellen over de vraag, of EU lidstaten de mogelijkheid mochten uitschakelen, dat kartelslachtoffers (ook) schadevergoeding konden vorderen van karteldeelnemers voor de schade die veroorzaakt werd door marktpartijen die op zichzelf niet deelnamen aan het kartel, maar als gevolg van dat kartel wel in staat waren de prijs van hun producten of diensten te verhogen.

In de economische theorie kunnen zulke marktpartijen, hoewel zij zich onafhankelijk gedragen van de karteldeelnemers, onder sommige omstandigheden toch een bepaalde overcharge  vragen. Immers het kartel heeft een deel van de concurrentie in de markt uitgeschakeld. Dit fenomeen wordt in de Angelsaksische literatuur ook wel uitgebeeld met de metafoor umbrella pricing.

Het is de vraag of karteldeelnemers ook deze schade moeten vergoeden aan kartelslachtoffers, danwel dat het vereiste causaal verband hieraan in de weg staat. In deze van oorsprong Oostenrijkse zaak, waarin sprake was van een Europees kartel op de markt voor liften en roltrappen, was de mogelijkheid van een dergelijke schadevergoeding naar nationaal recht ex lege uitgesloten.

De prejudiciële vraag aan het Hof was aldus:

„Moet artikel 101 VWEU […] aldus worden uitgelegd dat eenieder van karteldeelnemers vergoeding kan verlangen van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de prijsstelling door een kartelbuitenstaander, die in het zog van de hogere marktprijs zijn eigen prijzen voor zijn producten meer heeft verhoogd dan hij zonder het kartel zou hebben gedaan (‚umbrella pricing’), zodat op grond van het door het Hof […] geformuleerde doeltreffendheidsbeginsel een desbetreffende aanspraak in het nationale recht moet worden aanvaard?”

Beoordeling door het Hof

Het Hof oordeelt in lijn met AG Kokott dat EU lidstaten in hun juridische systeem het niet categorisch onmogelijk mogen maken voor kartelslachtoffers om dergelijke schadevorderingen in te stellen.

Het is vaste rechtspraak dat eenieder vergoeding van geleden kartelschade kan vorderen, wanneer er een causaal verband tussen die schade en een door artikel 101 VWEU verboden mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging bestaat (arresten Manfredi e.a., EU:C:2006:461, punt 61, en Otis e.a., EU:C:2012:684, punt 43).

Bij gebreke van Europese wet- en regelgeving, is het aan de EU lidstaten om dit recht op schadevergoeding te effectueren. De nationale procesregels mogen echter niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel). De uitoefening van het recht op schadevergoeding mag in de praktijk bovendien niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn (doeltreffendheidsbeginsel).

Het Hof stelt in deze zaak vast:

“dat de afnemer van een onderneming die geen lid van een kartel is, maar die economisch in staat wordt gesteld om een afgeschermde prijs vast te stellen, schade lijdt doordat hij een hogere koopprijs moet betalen dan de prijs die zonder dit kartel zou zijn toegepast, één van de mogelijke gevolgen van dat kartel is, waarvan de kartelleden niet onwetend kunnen zijn” (r.o. 30).

Hoewel het Hof erkent dat de EU lidstaten de vrijheid hebben nationale procesregels op te stellen die schadevergoeding in de context van umbrella pricing mogelijk maakt, is deze vrijheid niet onbeperkt:

“Aan de volle werking van artikel 101 VWEU wordt echter afbreuk gedaan indien het nationale recht het recht van eenieder om vergoeding van de geleden schade te vorderen op categorische wijze en los van de specifieke omstandigheden van het concrete geval afhankelijk stelt van het bestaan van een rechtstreeks causaal verband en het dit recht volledig uitsluit wanneer de betrokkene geen contractuele band met een lid van het kartel had, maar wel met een niet aan dat kartel deelnemende onderneming waarvan het prijsbeleid nochtans het resultaat van dit kartel is en dat tot de vervalsing van de voor concurrerende markten geldende prijsvormingsmechanismen heeft bijgedragen” (r.o. 33).

Commentaar

Naar onze mening past deze inperking van de nationale procedurele autonomie in een bredere lijn in de jurisprudentie, waarbij het Hof algemene beginselen van Europees recht, zoals het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel, inzet om de nationale beleidsruimte in te perken.

Vanuit de wens het Europese mededingingsrecht ook privaatrechtelijk effectief te laten handhaven, moge deze uitkomst te begrijpen zijn. Het Hof overweegt dat een categorische uitsluiting van causaal verband, zonder oog te slaan op individuele omstandigheden, in strijd komt met artikel 101 VWEU.

Evenwel blijft de vraag in hoeverre in nationale schadevorderingsprocedures daadwerkelijk aangetoond kan worden dat er een causaal verband bestaat tussen enerzijds de activiteiten van het kartel en de inbreuk op het Europese kartelverbod, en anderzijds schade als gevolg van umbrella pricing. Dit is aan de nationale rechter en betreft een overwegend feitelijke beoordeling, die afhankelijk zal zijn van alle omstandigheden van het geval.