Uitspraak Hoge Raad: De wils(on)bekwaamheid van de erflater en de onderzoeksplicht van de notaris

vrijdag, 22 mei 2015

Het komt regelmatig voor dat een erflater bij het opmaken van zijn testament zodanig in zijn geestvermogens is gestoord, dat hij wilsonbekwaam is. In dat geval kan het testament niet rechtsgeldig tot stand komen. Daarvoor is immers vereist dat de wil van de erflater zich richt op het met het testament beoogde rechtsgevolg en dat die wil in het testament tot uitdrukking komt. Bij een wilsonbekwaam persoon is de wil niet zuiver, omdat de wilsonbekwame zich niet bewust is van de rechtsgevolgen van zijn handelingen. Maakt de notaris desondanks een testament op, dan kan later de nietigheid van het testament worden ingeroepen of het testament worden vernietigd, indien kan worden aangetoond dat de wilsonbekwaamheid bestond ten tijde van het passeren van het testament. De bewijslast rust dan op de partij die zich op de wilsonbekwaamheid beroept. Dat is meestal de partij die bij het ontbreken van het testament door de wet als erfgenaam zou zijn aangewezen. Op die partij rust de dikwijls gecompliceerde taak om aan te tonen dat de notaris het testament niet had mogen passeren, omdat de erflater niet in staat was om zijn wil te bepalen en de notaris dit had moeten vaststellen. Hoe toon je dat echter in de praktijk aan?

Aantonen van wilsonbekwaamheid

De uitspraak van de Hoge Raad van 13 februari 2015 (*1) ging over de hiervoor geschetste problematiek. In die zaak was erflater ongehuwd en zonder afstammelingen overleden. Door een ongeval raakte  erflater als kind blijvend verstandelijk beperkt, maar hij kon tot op hoge leeftijd zelfstandig wonen. In 1980 benoemde erflater twee nichten tot zijn erfgenamen. In 1999 liet hij een nieuw testament opstellen, waarin hij de twee dochters van het echtpaar dat hem jarenlang ondersteunde in de huishouding en met de administratie tot enig erfgenamen benoemde. In 2009 is één van de nichten samen met haar echtgenoot tot bewindvoerder en mentor over erflater benoemd, nadat erflater zijn woning voor minder dan de helft van de WOZ-waarde aan een dorpsgenoot had verkocht, welke verkoop door de nicht ongedaan is gemaakt. Na het overlijden van erflater vorderde één van de nichten nietig verklaring van beide testamenten vanwege de verstandelijke beperking van erflater. De rechtbank wees de vordering af, omdat niet was aangetoond dat ten gevolge van de geestelijke stoornis erflater niet of onvoldoende in staat was zijn wil te bepalen wat betreft het beschikken over zijn nalatenschap. Kortom: de wilsonbekwaamheid was in rechte niet komen vast te staan.

Ter onderbouwing van haar stellingen dat bij erflater sprake was van een permanente en voor derden kenbare stoornis, waardoor hij niet in staat was om bij testament zijn wil te bepalen, bracht de nicht in hoger beroep verklaringen van de huisarts van erflater, van een specialist ouderengeneeskunde en van een psycholoog in het geding. Voorts bood zij aan haar stellingen nader te bewijzen door het doen horen als getuigen van de notaris, een kantoorgenoot van de notaris, de huisarts en de  specialist ouderengeneeskunde. Het hof passeerde dit bewijsaanbod, omdat eiseres onvoldoende had onderbouwd dat causaal verband bestond tussen de stoornis en het bepalen van de wil bij het opstellen van het testament. Daartoe overwoog het hof o.a. dat de notaris kennelijk geen reden had gezien om te twijfelen aan het vermogen van erflater om zijn wil te bepalen. Aldus bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank.   

Vervolgens stelde de nicht beroep in cassatie in. De Hoge Raad maakte korte metten met het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod onvoldoende specifiek was. In hoger beroep had de nicht haar bewijsaanbod immers voldoende toegelicht. Zo had zij aangegeven dat zij door het horen van de notaris en diens kantoorgenoot te willen aantonen dat de notaris zich onvoldoende ervan had vergewist of erflater begreep wat hij verklaarde en of zijn verklaring overeenstemde met zijn wil. Het aanbod om de huisarts te horen was onderbouwd door middel van de overgelegde verklaring van de huisarts, waarin hij mededeelde erflater van 1996 tot 2010 te hebben behandeld waarin er 249 patiëntencontacten waren geweest, dat patiënt waarschijnlijk zwakbegaafd was en gemakkelijk beïnvloedbaar en dat hij zelfs eenvoudige zaken niet kon overzien. Het horen van de specialist ouderengeneeskunde was onderbouwd door het overleggen van diens verklaring, inhoudende dat erflater beperkt was in zijn intellectuele functioneren en adaptieve gedrag met betrekking tot sociale vaardigheden. Deze onderbouwing maakte het oordeel van het hof onbegrijpelijk. De Hoge Raad voegde daar nog aan toe, dat de motivering van het oordeel van het hof om alle bewijsaanbiedingen te passeren, mede omdat de notaris kennelijk geen reden heeft gezien om te twijfelen aan het vermogen van erflater om een testament op te laten maken, onbegrijpelijk is, omdat het bewijsaanbod in zoverre nu juist ertoe strekt om aan te tonen dat de notaris hier ten onrechte niet aan heeft getwijfeld. Daarop volgde vernietiging van de uitspraak van het hof en verwijzing.            

Deze uitspraak toont aan dat het voor notarissen vaak moeilijk is om te bepalen wanneer zij gehouden zijn nader onderzoek te doen naar de geestesgesteldheid van de testateur. Daarom hanteert de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) sinds 2006 het protocol Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening. Dit stappenplan biedt notarissen een toetsingskader in het geval er een oordeel over de wilsbekwaamheid van een cliënt gegeven moet worden. Volgens vaste jurisprudentie dient de notaris bij de beoordeling van de wils(on)bekwaamheid van zijn cliënt primair uit te gaan van zijn eigen waarneming. Het stappenplan geeft verschillende indicatoren waaraan de notaris zijn eigen waarneming dient te toetsen en waaruit volgt dat, als sprake is van één of meerdere indicatoren, nader onderzoek gedaan moet worden.

De vraag of de notaris in de hiervoor besproken uitspraak van de Hoge Raad nader onderzoek had moeten doen, is daarmee nog niet beantwoord. Deze vraag lijkt echter bevestigend beantwoord te moeten worden, gelet op de omstandigheden in die zaak. De nicht zal alsnog in de gelegenheid gesteld moeten worden om haar getuigen te horen en zodoende zal zij alsnog de kans krijgen om het bewijs te leveren dat erflater wilsonbekwaam was ten tijde van het passeren van het testament.

Onderzoeksplicht notaris   

In de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 oktober 2014 (*2) stond niet ter discussie dat er verschillende indicatoren aan de orde waren op basis waarvan de notaris nader onderzoek naar de geestesgesteldheid van zijn cliënte moest doen. Het ging in die zaak echter om de wijze waarop de notaris het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid had toegepast en hoever zijn onderzoeksplicht naar de wilsbekwaamheid reikte. De notaris stelde zich op het standpunt dat hij voldoende onderzoek had gedaan door de huisarts te vragen naar diens inschatting van de geestesvermogens van zijn cliënte. Het hof overwoog dat de notaris daarmee niet kon volstaan, met name vanwege het feit dat hij bekend was met de persoonlijke situatie van zijn cliënte, zowel in financieel opzicht als haar verblijf in een zorgcentrum als gevolg van een herseninfarct. Bovendien wees erflaatster in het testament niet degene met wie zij al jarenlang samenwoonde aan als enig erfgenaam, maar een ex-delinquent, die erflaatster leerde kennen toen hij op haar perceel een taakstraf uitvoerde en met zij sindsdien contact heeft onderhouden en die haar telkens naar de notaris bracht voor de afspraken. Op grond van deze omstandigheden oordeelde het hof dat de notaris in zijn onderzoeksplicht tekort was geschoten.

Voorts had de notaris slechts zeer summiere gespreksaantekeningen gemaakt, op basis waarvan niet beoordeeld kon worden op welke manier de notaris zich had vergewist van wat erflaatster met haar testament heeft willen regelen. Ook met het stellen van enkel een gesloten vraag aan erflaatster om te toetsen of zij inderdaad de aangewezen erfgenaam als enig erfgenaam wilde benoemen, schoot de notaris in zijn onderzoeksplicht tekort, aldus het hof.

Conclusie

Voor een notaris is het dikwijls lastig om te bepalen of zijn cliënt wel volledig in staat is om zijn wil te bepalen. De notaris dient bij twijfel het daarvoor voorgeschreven stappenplan toe te passen en nader onderzoek in te stellen, waarbij hij zijn onderzoek goed moet documenteren. Doet hij dat niet of onvoldoende, dan loopt hij het risico daardoor (o.a.) tuchtrechtelijk aangepakt te kunnen worden. Volgt een tuchtrechtelijke veroordeling, dan biedt dat een civielrechtelijk perspectief om het testament nietig te kunnen verklaren.   

Voor een wettelijk erfgenaam die bij testament als erfgenaam is uitgesloten, is het dikwijls lastig om aan te tonen dat een testament is opgemaakt, terwijl de erflater wilsonbekwaam was. Dat kun je bijvoorbeeld doen door verklaringen in te brengen van medisch en psychologisch deskundigen en hen als getuigen te doen horen. Zoals uit de hiervoor besproken uitspraak van de Hoge Raad blijkt, mag de rechter een specifiek gedaan bewijsaanbod niet passeren. Met de schriftelijke verklaringen van de getuigen in combinatie met wat zij tijdens het verhoor over hun uit eigen waarneming bekende feiten kunnen verklaren, dient dan het bewijs van de wilsonbekwaamheid geleverd te worden. Overigens zijn alle bijzondere omstandigheden van het geval van belang.

Komen de hiervoor besproken situaties u bekend voor of heeft u twijfels bij de totstandkoming van een testament waardoor u zich benadeeld voelt? Neem dan contact op met ons kantoor. Wij zijn u graag van dienst.

 

(*1) ECLI:NL:HR:2015:311 (uitspraak Hoge Raad) en ECLI:NL:PHR:2014:2000 (Conclusie Advocaat-Generaal), RFR 2015/56.

(*2) RFR 2015/18

Auteur