Twee keer medezeggenschap / Ondernemer versus Ondernemingsraad: 1 : 1

dinsdag, 27 mei 2014

Uit twee tegelijk gepubliceerde uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) blijkt wederom de noodzaak dat het adviestraject met de Ondernemingsraad bij voorgenomen reorganisaties nauwgezet wordt gevoerd. In een uitspraak van 14 januari 2014 oordeelt de Ondernemingskamer uiteindelijk dat de voorgenomen personeelsreductie niet mag worden uitgevoerd omdat de werkgever bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit. In de tweede uitspraak van 2 april 2014 is de ondernemer in het gelijk gesteld en het beroep van de Ondernemingsraad bij de Ondernemingskamer afgewezen. De uitspraken illustreren het grote belang van tijdige en adequate beantwoording van vragen van de Ondernemingsraad.

Bij voorgenomen reorganisaties, zeker als die leiden tot personeelsreductie, dient de ondernemer voorafgaand advies aan de Ondernemingsraad te vragen over haar voorgenomen besluit. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de ondernemer alle benodigde informatie moet verstrekken om de Ondernemingsraad in staat te stellen adequaat te adviseren. In eerdere uitspraken heeft de Ondernemingskamer als uitgangspunt geformuleerd dat in beginsel alle vragen van de Ondernemingsraad dienen te worden beantwoord tenzij evident is dat beantwoording van de gestelde vraag irrelevant is voor het gevraagde advies.

In de uitspraak van 14 januari 2014 wordt advies gevraagd over een voorgenomen personeelsreductie. De noodzaak daartoe wordt vrij algemeen geformuleerd toegelicht, maar beantwoording van vragen van de Ondernemingsraad over het precieze hoe en waarom van deze personeelsreductie blijft achterwege. De Ondernemingskamer verwijt de ondernemer dat hij, ondanks herhaalde vragen van de Ondernemingsraad, niet duidelijk heeft toegelicht waarom deze ingreep noodzakelijk is en hoe de ondernemer tot de voorgestelde omvang van personeelsreductie is gekomen. Omdat de vragen van de Ondernemingsraad relevant zijn, had beantwoording niet achterwege kunnen blijven en oordeelt de Ondernemingskamer dat de ondernemer de uitvoering van de reorganisatie dient te staken en de gevolgen van het besluit ongedaan moet maken (voor zover de betrokken werknemers boventallig zijn verklaard en/of gedwongen zijn ontslagen). Deze uitspraak leidt ertoe dat inmiddels gedwongen ontslagen werknemers kennelijk weer in dienst moeten worden genomen om zodoende aan de bezwaren van de Ondernemingsraad en de Ondernemingskamer tegemoet te komen.

In de uitspraak van 2 april 2014 is een vergelijkbaar verwijt van de Ondernemingsraad aan de orde, maar in die zaak oordeelt de Ondernemingskamer in het voordeel van de ondernemer. Deze had juist wel uitgebreid en inhoudelijk gereageerd op vragen van de ondernemingsraad en de ondernemingskamer beoordeelt die als voldoende. Ten slotte (en voor veel ondernemers ook niet onbelangrijk) formuleert de Ondernemingskamer nogmaals dat klachten van de Ondernemingsraad over een in zijn ogen te beperkt sociaal plan een besluit nog niet kennelijk onredelijk maakt.

Het is in de praktijk niet altijd met exacte precisie aan te geven welke informatie wel en welke informatie niet aan de Ondernemingsraad moet worden verstrekt dan wel of de gegeven motivering voor een voorgenomen besluit voldoende zal blijken te zijn. De les is en blijft om de Ondernemingsraad tijdig en zo uitgebreid mogelijk van informatie te voorzien en deugdelijk en zo nodig nader onderbouwd te beargumenteren dat en waarom een bepaald besluit en een bepaalde ingreep in de organisatie noodzakelijk is. De Ondernemingsraad heeft op grond van de wet recht op deze informatie en onderbouwing terwijl, zoals blijkt, ontoereikende onderbouwing en het niet beantwoorden van relevant geoordeelde vragen kan leiden tot ernstige vertraging en zelfs volledige blokkering van de uitvoering van de reorganisatie.