Transitievergoeding en ketenregeling

donderdag, 26 februari 2015

Recent is ophef ontstaan over de uitwerking van de Wet Werk en Zekerheid op o.a. seizoenswerkers. Met name de land- en tuinbouw, horeca en uitzendbranche worden met een “weeffout” in de wet geconfronteerd. De onmiddellijke werking van de Regeling Transitievergoeding in de WWZ heeft tot gevolg dat werkgevers vanaf 1 juli 2015 onverwacht met terugwerkende kracht een hoge transitievergoeding zijn verschuldigd als een tijdelijke arbeidsovereenkomst na 1 juli 2015 eindigt.

In een nieuwsbericht van 24 februari 2015 kondigt minister Asscher een overgangsregeling aan om bovengenoemd ongewenst effect deels op te heffen.

In dit artikel wordt eerst ingegaan op het overgangsrecht van de huidige WWZ. Vervolgens komt het voorstel van minister Asscher van dinsdag jl. aan bod. 

Huidig overgangsrecht transitievergoeding en ketenregeling 

Voor het bepalen van het recht op de transitievergoeding (en de omvang hiervan) telt de periode van vóór 1 juli 2015 mee. Dit geldt dus ook voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. 

Echter, de overgangsregeling voor de ketenregeling verschilt van de overgangsregeling voor de transitievergoeding. 

Bij de ketenregeling is een overgangsregeling opgenomen die erin voorziet dat de keten wordt onderbroken indien de laatste arbeidsovereenkomst na een tussenpoos van meer dan drie maanden wordt gesloten op of vóór 1 juli 2015. 

Voor de transitievergoeding geldt vooralsnog geen vergelijkbaar overgangsrecht. Dat heeft tot gevolg dat er ook vóór 1 juli 2015 een tussenpoos van zes maanden in acht dient te worden genomen om de keten voor de transitievergoeding opnieuw te laten aanvangen. Een onderbreking van meer dan drie maanden volstaat dus niet. 

Dat betekent dat een werkgever de transitievergoeding verschuldigd zou zijn, tenzij al vóór 1 juli 2015 een tussenpoos van meer dan zes maanden in acht zou zijn genomen. 

In de diverse genoemde branches worden hierdoor grote problemen voorzien vanwege de regelmatige inzet van seizoenswerkers, waarbij geen tussenpoos van meer dan zes maanden in acht is genomen. 

Op 24 februari 2015 heeft minister Asscher een Nota van Wijziging gepubliceerd om voornoemde ongewenste gevolgen deels op te heffen. 

Voorgestelde maatregelen 

Baangarantie biedt uitstel betaling transitievergoeding 

Ten eerste wordt voorgesteld om een regeling te treffen op grond waarvan een werkgever (nog) geen transitievergoeding verschuldigd zal zijn als hij de werknemer de garantie heeft geboden dat hij binnen zes maanden weer bij hem aan de slag kan. 

Die garantie moet bestaan uit een nieuwe tijdelijke of vaste arbeidsovereenkomst die ingaat binnen zes maanden, te rekenen vanaf het moment waarop een tijdelijke arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Echter, direct rijst de vraag of de aan te bieden nieuwe tijdelijke arbeidsovereenkomst een bepaalde minimumduur moet hebben. De Nota van Wijziging geeft geen minimumduur voor de tijdelijke arbeidsovereenkomst die wordt aangegaan in het kader van de baangarantie. 

Met deze baangarantie kan worden voorkomen dat een werkgever meteen na het eindigen van een tijdelijke arbeidsovereenkomst na 1 juli 2015 een transitievergoeding verschuldigd zal zijn. 

Als de werkgever de garantie van een voortzetting niet biedt, of dat niet doet bij de afloop van een volgende tijdelijke arbeidsovereenkomst, dan is uiteraard wel een transitievergoeding verschuldigd als tenminste aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan. Is dat het geval, dan wordt bij de berekening van de transitievergoeding echter niet de gehele lengte van het dienstverband betrokken, zoals blijkt uit het onder het volgende kopje geformuleerde overgangsrecht. 

Overgangsrecht 

Met de hiervoor genoemde maatregel van baangarantie wordt echter niet voorkomen dat het arbeidsverleden, gelegen voor 1 juli 2015, meetelt bij de berekening van de hoogte van de transitievergoeding. Dus het onbedoelde en ongewenste effect van de regeling die vooral seizoenswerkgevers en –werknemers treft, wordt niet geheel weggenomen. 

Daarom wordt in de nota van wijziging voorgesteld om overgangsrecht te treffen: dat houdt in dat voor het bepalen van het recht op en de hoogte van de transitievergoeding de arbeidsovereenkomsten die voor 1 juli 2012 zijn geëindigd en elkaar met onderbreking van meer dan drie maanden hebben opgevolgd (of een kortere termijn, als die op grond van de CAO gold) niet worden meegeteld. Tijdelijke arbeidsovereenkomsten die elkaar na 1 juli 2012 met een periode van ten hoogste zes maanden opvolgen, tellen dus wel mee. Met de periode gerekend vanaf 1 juli 2012 (tot 1 juli 2015) wordt aangesloten bij de termijn van de huidige ketenbepaling voor het ontstaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd (drie jaar). 

Bevorderen aangaan vaste arbeidsovereenkomst 

Tot slot wil de minister het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd bevorderen. Daarom stelt minister Asscher in zijn nota van wijziging van 24 februari 2015 voor, dat in het geval een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op of na 1 juli 2015 wordt aangegaan, de voorafgaande arbeidsovereenkomsten die voor die datum zijn geëindigd (en onderbroken zijn geweest met een periode langer dan drie maanden, of de termijn die op grond van de CAO gold) niet worden meegeteld. Hier staat tegenover dat de betreffende werknemer beschikt over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met bijbehorende zekerheid.

Met dit laatste voorstel wordt de opbouw van de transitievergoeding over die periode in feite geruild tegen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Mocht u hierover of over de nieuwe Wet Werk en Zekerheid vragen hebben, neemt u dan contact op met onze sectie Arbeidsrecht.