Toestemming echtgenoot vereist bij borgstelling? Uitzonderingsbepaling artikel 1:88-5 BW geldt uitsluitend voor statutair bestuurders

maandag, 4 februari 2013

Recent heeft de rechtbank Haarlem geoordeeld over de reikwijdte van artikel 1:88-5 BW, in het bijzonder over de vraag of deze uitzonderingsbepaling ook ziet op niet statutair bestuurders (rechtbank Haarlem, 12 december 2012). De rechtbank Haarlem heeft bevestigd dat deze uitzonderingsbepaling op dit punt letterlijk dient te worden gelezen en (dus) uitsluitend op (directe of indirecte) statutaire bestuurders van toepassing is.

Artikel 1:88 BW bepaalt dat een echtgenoot voor bepaalde handelingen de toestemming nodig heeft van de andere echtgenoot, bij gebreke waarvan die handeling door die andere echtgenoot kan worden vernietigd. Voorbeeld is het sluiten van een overeenkomst die ertoe strekt dat de echtgenoot zich anders dan in de normale uitoefening van zijn bedrijf (bijvoorbeeld) als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Artikel 1:88-5 BW bevat een uitzonderingsbepaling, die inhoudt dat geen toestemming voor een voornoemde handeling vereist is, wanneer de handeling wordt verricht door een bestuurder en enig aandeelhouder van een BV of NV ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van die BV of NV. Deze uitzonderingsbepaling heeft in de praktijk al tot veel vragen geleid, reden waarom hierover veel rechtspraak voorhanden is. Rode draad in deze rechtstpraak is dat het begrip "normale bedrijfsuitoefening" resctrictief dienen te worden uitgelegd. Echter in deze rechtspraak is ook geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling op andere punten juist ruim moet worden uitgelegd en tevens ziet op indirecte enig aandeelhouders of certificaathouders en indirecte statutaire bestuurders.

In onderhavige zaak stelde een niet direct of indirect statutair bestuurder (maar wel direct en indirect enig aandeelhouder) van twee vennootschappen zich borg voor een huurschuld van die vennootschappen. De echtgenote van die niet statutair bestuurder beriep zich op de vernietigbaarheid van die borgstelling vanwege het ontbreken van diens toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW. Eiser, zijnde verhuurder die de niet statutair bestuurder aansprak op grond van de borgstelling, stelde echter dat de uitzondering van artikel 1:88-5 BW ook zou gelden voor feitelijke bestuurders die geen statutaire bestuurders zijn, zodat in dit geval geen toestemming zou zijn vereist. De verstrekker van de borgstelling zou volgens eiser namelijk kwalificeren als feitelijk bestuurder. De rechtbank Haarlem volgde deze redenering niet en stelde de niet statutair bestuurder en diens echtgenoot in het gelijk. De rechtbank Haarlem oordeelt dat niet valt in te zien waarom de uitzondering van artikel 1:88-5 BW zodanig zou moeten worden opgerekt dat deze tevens zou gelden voor niet statutair bestuurders, los van de vraag of de niet stautair bestuurder uberhaupt als feitelijk bestuurder aangemerkt kon worden. 

Met deze uitspraak wordt bevestigd dat het begrip "statutair bestuurder" in de uitzonderingsbepaling van artikel 1:88-5 BW letterlijk moet worden uitgelegd en dat een geslaagd beroep op deze uitzonderingsbepaling eerder uitzondering is dan regel.  

Download de bijlage om een uitgebreid artikel te lezen waarin voornoemde uitspraak wordt behandeld. 

Download bijlage: Artikel_1-88-5_BW_geldt_uitsluitend_voor_statutair_bestuurders (PDF, 56 KB)