Testament: er staat niet wat er staat

maandag, 11 januari 2016

De rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van een testament (Rechtbank Rotterdam 6 januari 2016, C/10/475943/HA ZA 15-510). Anderhalf jaar na op huwelijkse voorwaarden in tweede echt te zijn gehuwd was moeder in 2014 overleden. Zij had een testament laten opstellen in 1980.

In het testament was onder meer bepaald: “Voor het geval ik na of tegelijk in de zin der wet met mijn genoemde echtgenoot kom te overlijden, beschik is als volgt: ik bekrachtig bij deze de vererving van mijn nalatenschap volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf”.

Ten tijde van dit testament was moeder gehuwd met de vader van haar kinderen/erfgenamen. Vader was eerder, in 2005, overleden. Het geschil, waarover de rechtbank moest beslissen, speelde zich af tussen de kinderen/erfgenamen van moeder en hun stiefvader, met wie moeder was getrouwd ten tijde van haar overlijden. Stiefvader stelde eveneens erfgenaam te zijn op grond van de hierboven geciteerde passage uit het testament, omdat hij ten tijde van het overlijden de echtgenoot was. Deze passage hield immers in dat de nalatenschap van moeder moest vererven volgens de bepalingen der wet voor vererving bij versterf. Op grond van die bepalingen zouden zowel haar kinderen als de langstlevende (in dit geval: tweede) echtgenoot erfgenaam zijn. De kinderen stelden zich echter op het standpunt, dat het testament was opgesteld in 1980 toen moeder nog met hun vader was getrouwd en de vererving bij versterf dus alleen was bedoeld voor hun vader en niet voor de tweede echtgenoot van moeder, hun stiefvader, ook al had moeder het testament niet aangepast en was stiefvader tijdens het overlijden van moeder haar echtgenoot (zoals aangeduid in het testament).

In beginsel moet aan de tekst van het testament groot gewicht worden toegekend omdat het uitgangspunt is dat de tekst moet worden geacht de uiterste wil van de erflaatster tot uitdrukking te brengen. De rechtbank was echter van mening dat in het onderhavige geval niet alleen op de letterlijke tekst kon worden afgegaan ondanks het feit dat de tekst op zichzelf duidelijk was. Het testament moest nader worden uitgelegd, omdat de partijen ieder een andere uitleg bepleitten, aldus de rechtbank. Die uitleg moet dan plaatsvinden op grond van art. 4:46 lid 1 BW: gelet moet worden op de verhouding die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Art. 4:46 lid 2 BW vindt volgens de rechtbank hier geen toepassing zodat bij de uitleg niet mag worden gelet op daden en verklaringen van erflaatster (zoals bijvoorbeeld het opmaken en de inhoud van de huwelijkse voorwaarden tussen erflaatster en stiefvader).

Uiteindelijk komt de rechtbank tot het oordeel dat de kinderen erfgenaam zijn en stiefvader niet; in het testament is gekozen voor vererving bij versterf zowel wanneer erflaatster na haar echtgenoot zou overlijden als wanneer zij tegelijk zouden overlijden en zulks in de situatie waarin het gezin bestond uit erflaatster, de kinderen en hun vader. Hieruit maakt de rechtbank op dat moeder kennelijk heeft beoogd voor beide situaties (overlijden tegelijk en na vader) alleen haar kinderen als haar erfgenamen aan te wijzen. Ten tijde van het opmaken van het testament zouden bij vererving bij versterf immers alleen de kinderen erfgenaam zijn in beide situaties.

Hier doet zich dus het geval voor, dat niet de letterlijke tekst van het testament doorslaggevend is (die tekst wees immers op vererving bij versterf en dus benoeming van stiefvader/echtgenoot als mede-erfgenaam) maar de verhoudingen die men in het testament wenst te regelen en de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, allebei bezien naar de situatie ten tijde van het opmaken van het testament. Dat erflaatster na haar tweede huwelijk haar eerdere testament niet heeft aangepast, speelde voor de rechtbank geen rol gezien de inhoud van artikel 4:46 lid BW.