Ten onrechte passeren van ondernemingsraad bestraft

donderdag, 2 december 2010

Heeft het bestuur van APM Terminals Rotterdam B.V. kunnen besluiten tot het uitbesteden van een deel van haar onderneming aan een buitenlandse (concern)vennootschap, zonder daarbij het advies van haar ondernemingsraad af te wachten? De Ondernemingskamer van het Hof Amsterdam heeft die vraag in haar arrest van 26 november 2010 ontkennend beantwoord.

De relevante feiten

De onderneming van APM Terminals Rotterdam B.V.  legt zich toe op de terminal afhandeling van schepen in de haven te Rotterdam en is onderdeel van een door A.P. Møller - Mærsk A/S, gevestigd te Denemarken, geleid concern (hierna te noemen: “het APM-concern”). APM Terminals Rotterdam heeft haar ondernemingsraad bij brief van 1 april 2010 advies gevraagd over het door haar voorgenomen besluit om administratieve werkzaamheden op de afdeling “Finance and Administration” uit te besteden aan Maersk Global Service Center, een in India gevestigde onderneming die eveneens onderdeel is van het APM-concern.

Op 22 april 2010 vond in dat verband een overlegvergadering plaats tussen H. van Kerkhof, de bestuurder van APM Terminals Rotterdam (“Managing director”) en de ondernemingsraad van de vennootschap. De ondernemingsraad werd daarbij verzocht advies uit te brengen over voormelde uitbesteding. Op 13 mei 2010 heeft de secretaris van de ondernemingsraad de bestuurder per e-mail laten weten de kwestie eerst te zullen bespreken in de vergadering van de ondernemingsraad van 18 mei 2010.

De bestuurder heeft de ondernemingsraad bij brief van 19 mei 2010 in kennis gesteld van het besluit tot uitbesteding. In zijn brief merkte de bestuurder op dat, nu van de ondernemingsraad op dat moment nog geen advies was verkregen, in zijn optiek de redelijke termijn om tot een advies te komen, was verstreken. De ondernemingsraad heeft op 20 mei 2010 per brief aan de bestuurder een negatief advies uitgebracht.

De procedure voor de ondernemingskamer

De ondernemingsraad kon zich met het besluit van de bestuurder niet verenigen en heeft een verzoek ingediend bij de Ondernemingskamer. In haar verzoekschrift vorderde zij – kort gezegd – de verklaring voor recht dat APM Terminals Rotterdam bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het in deze zaak bestreden besluit van 19 mei 2010 heeft kunnen komen, alsmede dat de vennootschap het besluit moet intrekken en de gevolgen van het besluit ongedaan moet maken.

De ondernemingsraad heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd de stelling dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is, reeds omdat APM Terminals Rotterdam het besluit heeft genomen zonder het advies van de ondernemingsraad af te wachten. APM Terminals Rotterdam zou het besluit hebben genomen met voorbijgaan aan hetgeen met de ondernemingsraad is besproken over de adviestermijn. Deze handelwijze van APM Terminals Rotterdam moet worden gekenschetst als uiterst ongeduldig en onredelijk, aldus de ondernemingsraad.

APM Terminals Rotterdam heeft verzocht de ondernemingsraad niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen. Kern van het betoog van de vennootschap is dat de ondernemingsraad niet in haar recht op medezeggenschap is geschaad. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de ondernemingsraad niet tijdig haar advies heeft uitgebracht, welke omstandigheid in de risicosfeer van de ondernemingsraad ligt. De adviestermijn zou redelijk zijn, gelet op (i) de duidelijke en gemotiveerde adviesaanvraag, (ii) de overzichtelijke materie, (iii) de toelichting op de adviesaanvraag die de bestuurder in de overlegvergadering heeft gegeven, en (iv) de omstandigheid dat de ondernemingsraad zelf van mening was dat het voorgenomen besluit niet kwalificeert als een “belangrijk” besluit in de zin van artikel 25 WOR, althans daar minstgenomen aan twijfelde. APM Terminals Rotterdam stelt met de relevante betrokken belangen rekening te hebben gehouden en stelt, gelet op zowel de gevolgde procedure als de inhoud van het besluit, in alle redelijkheid tot het bestreden besluit te zijn gekomen.

Het oordeel van de Ondernemingskamer

De Ondernemingskamer overweegt dat als uitgangspunt in zijn algemeenheid geldt dat een ondernemer die een voorgenomen besluit op grond van de Wet op de ondernemingsraden ter advisering aan de ondernemingsraad heeft voorgelegd, in beginsel pas mag overgaan tot het nemen van het voorgenomen besluit nadat het gevraagde advies is uitgebracht. Volgens de Ondernemingskamer is het besluit, dat APM Terminals Rotterdam heeft genomen zonder het advies van de ondernemingsraad af te wachten, kennelijk onredelijk op de grond dat aldus het in genoemde wet neergelegde recht op medezeggenschap is geschonden. Op dat uitgangspunt zijn weliswaar uitzonderingen denkbaar, doch van omstandigheden die een dergelijke uitzondering rechtvaardigen, is volgens de Ondernemingskamer in deze zaak onvoldoende gebleken.

In dit verband heeft de Ondernemingskamer onder meer overwogen dat APM Terminals Rotterdam de noodzaak voor het uitbrengen van een advies op uiterlijk 18 mei 2010 onvoldoende aan de ondernemingsraad toegelicht. Bovendien moest het voor APM Terminals Rotterdam kenbaar zijn dat het uitbrengen van een advies door de ondernemingsraad op of voorafgaand aan 18 mei 2010 niet te verwachten was. Volgens de Ondernemingskamer had het voorts op de weg van APM Terminals Rotterdam gelegen om zich, alvorens het besluit te nemen, op of na 18 mei 2010 door de ondernemingsraad ten minste te laten informeren over de stand van het besluitvormingsproces in de ondernemingsraad omtrent de adviesaanvraag.

Op grond van het voorgaande komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat APM Terminals Rotterdam bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. De Ondernemingskamer heeft de vennootschap voorts bevolen haar besluit tot uitbesteding in te trekken.

(Ondernemingskamer Hof Amsterdam d.d. 26 november 2010, LJN: BO5270, www.rechtspraak.nl)