Stamrechtkapitaal en draagkracht alimentatieplichtige

dinsdag, 29 maart 2011

Met enige regelmaat verschijnt er interessante jurisprudentie over hoe het vermogen van de alimentatieplichtige dat zich in een stamrecht BV bevindt, van invloed is op diens draagkracht. Dit stamrecht vindt zijn oorsprong vaak in een ontslagvergoeding. Als die vergoeding betrekking heeft op een periode na de echtscheiding, doet de vraag zich voor in hoeverre de alimentatieplichtige dit stamrechtkapitaal dient aan te wenden om alimentatie aan de ex-partner of ten behoeve van de kinderen te betalen.

Zo oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch (20 december 2006, LJN AZ6967) over een zaak waarin de man de aan hem toegekende ontslagvergoeding aanwendde voor de aankoop van een stamrecht met als doel om in de periode gelegen tussen het einde van zijn recht op een WW-uitkering en de aanvang van zijn AOW-gerechtigde leeftijd alsnog over inkomen te kunnen beschikken. De man was 58 jaar en vast was komen te staan dat hij waarschijnlijk niet meer aan de slag zou komen en dat hij vanaf zijn 61ste geen WW-uitkering of andere loongerelateerde uitkering zou ontvangen. Het hof achtte de keuze van de man om de ontslagvergoeding aldus te besteden aan de aankoop van een stamrecht een redelijke keus en voor de berekening van zijn draagkracht oordeelde het hof dat de man niet gehouden kon worden zijn WW-uitkering aan te vullen tot zijn oude inkomensniveau.

Heeft de ontslagvergoeding echter louter het karakter van een financiële tegemoetkoming voor het beëindigen van het dienstverband en is het te beschouwen als een compensatie voor het verlies van inkomen voor de komende jaren, dan luidt de hoofdregel dat de man zijn inkomen dient aan te vullen met de ontslagvergoeding. Zo ook in de uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage van 12 december 2007 (LJN BC1485). De man had ook in deze uitspraak de ontslagvergoeding in een stamrecht ondergebracht, met hetzelfde doel als in de hiervoor aangehaalde uitspraak, maar ter zitting bleek dat de man de stamrechtovereenkomst had gewijzigd en dat hij reeds een uitkering vanuit de stamrecht BV had ontvangen en dat hij een dergelijke uitkering ook in de komende jaren zou ontvangen. Dit laatste was niet in overeenstemming met het oorspronkelijke doel van het stamrecht. Geoordeeld werd dat de man de toegekende ontslagvergoeding diende aan te wenden ter aanvulling van zijn WW-uitkering tot zijn oude salarisniveau, teneinde de op hem rustende kinderalimentatieplicht te kunnen betalen.

Indien de alimentatieplichtige er dus zelf voor kiest om het stamrechtkapitaal bij nader inzien niet te reserveren, maar reeds uit te laten keren, dan zal de rechter bij de berekening van de draagkracht rekening houden met deze extra inkomsten (zie ook Hof ’s-Hertogenbosch, 6 augustus 2009, JPF 2010/11).

Met deze wetenschap is het dus van belang om het doel van het stamrechtkapitaal goed te onderbouwen, bij voorkeur al in de beëindigingsovereenkomst van het dienstverband. Wanneer voldoende is onderbouwd dat de uitkeringen hiervan zijn bedoeld voor een periode gelegen in de verre toekomst, bijvoorbeeld vanaf de pensioengerechtigde leeftijd, dan zal van de alimentatieplichtige in de regel niet gevergd kunnen worden reeds nu zijn inkomen aan te vullen tot zijn oude salarisniveau.

Vaak ziet stamrechtkapitaal ook op gederfde pensioenschade. Aangezien de werknemer door de beëindiging van het dienstverband geen pensioen meer opbouwt, zal hij te kampen hebben met een pensioengat. Compensatie hiervoor zit vaak verdisconteerd in de ontslagvergoeding. Het is dan aan te raden deze pensioenschade zo goed mogelijk inzichtelijk te maken. Op die wijze kan men immers voorkomen dat men een gedeelte van het stamrechtkapitaal zou moeten aanwenden voor een ander doel dan waarvoor het is betaald door de ex-werkgever. Dit speelde zeer recent nog in een zaak waarin mijn kantoorgenoot Agnes van Wieren als advocaat van de alimentatieplichtige man optrad (Hof  ’s-Hertogenbosch, 1 maart 2011). De man had in die zaak het bestaan en de omvang van zijn pensioenbreuk aan de hand van brieven van zijn voormalige werkgever inzichtelijk gemaakt. Het hof oordeelde vervolgens dat van de man niet gevergd kon worden dat hij het deel van de ontslagvergoeding, dat nodig was om de pensioenbreuk te lijmen, zou moeten aanwenden ter aanvulling van zijn huidige inkomsten. Dit liet overigens onverlet dat de man wel het resterende bedrag van de ontslagvergoeding daarvoor moest aanwenden.

Een voorbeeld van een zaak waarin de noodzaak tot het treffen van een pensioenvoorziening onvoldoende werd aangetoond, aangezien de rechtbank het aannemelijk oordeelde dat de man opnieuw zou kunnen intreden op de arbeidsmarkt met als gevolg hernieuwde pensioenopbouw, is Rechtbank Roermond, 18 juni 2008 (LJN BD4821).

Is het stamrechtkapitaal dus louter bedoeld als pensioenvoorziening en kan dit met stukken worden onderbouwd, dan zal dit kapitaal niet van invloed zijn op de draagkracht van de alimentatieplichtige. Het is dan zaak om dit kapitaal ook daadwerkelijk daarvoor te reserveren en niet reeds (voor zover dat al mogelijk is) in gedeelten uit te laten keren. Wanneer wel tot vervroegde uitkering van het stamrechtkapitaal wordt besloten, dient men er rekening mee te houden dat de belastingdienst dit als materiële afkoop van het stamrecht beschouwt, waarover progressief belasting wordt geheven (bij bovenmodaal inkomen 52 %). Bovendien rekent de belastingdienst dan nog met een extra revisierente van 20 %, zodat de totale belastingdruk kan oplopen tot 72 %! Wanneer die uitkeringen dan ook nog draagkrachtverhogend zijn, dan zal het stamrechtkapitaal, en daarmee de draagkracht, wel eens heel snel volledig kunnen verdampen.