Shell haalt opgelucht adem na uitleg begrip 'afvalstof' door het Hof

dinsdag, 15 april 2014

De uitleg van het begrip ‘afvalstof’ op grond van de afvalstoffenrichtlijn is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Recent heeft het Hof van Justitie nieuwe aanknopingspunten geboden voor de uitleg van het afvalstoffenbegrip uit de afvalstoffenrichtlijn 2006/12/EG (*1). Het Hof is namelijk van oordeel dat het retourneren van een non-conform product dat vervolgens weer op de markt wordt gebracht een aanwijzing vormt dat het niet gaat om een ‘afvalstof’. Dit is een belangrijk gegeven, aangezien heel wat Europese regelgeving met betrekking tot het afvalbeheer en het vervoeren van afval in dat geval niet van toepassing is.

De feiten

In deze zaak beantwoordt het Hof prejudiciële vragen van de Rechtbank Rotterdam in verband met een bij deze rechtbank aanhangige strafzaak. Waar ging het om? Bij de belading door Shell van een partij diesel aan boord van een schip van een Belgische klant, is deze partij onverhoopt vermengd geraakt met een restantlading oplosmiddel. Door de vermenging is het vlampunt van de brandstof verlaagt, waardoor deze diesel niet meer verkocht mocht worden aan de pomp. Bovendien had de klant geen vergunning voor de opslag van brandstof met dit verlaagde vlampunt. Shell heeft vervolgens de lading brandstof uit België teruggehaald naar Nederland om, na menging met een andere stof, de brandstof weer op de markt te brengen. Volgens het OM is hier sprake van grensoverschrijdend vervoer van afvalstoffen, waarvan een voorafgaande kennisgeving moet worden gegeven aan de bevoegde autoriteiten. Nu Shell dit niet heeft gedaan, wordt Shell strafrechtelijk vervolgd.

Non-conformiteit

De centrale vraag is of de partij diesel als afvalstof moet worden gekwalificeerd (*2). Volgens de afvalstoffenrichtlijn is “elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen” een ‘afvalstof’. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden en met de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het gedrag van de houder bepalend is en niet of de stof onder een van de categorieën stoffen uit bijlage I van de afvalstoffenrichtlijn valt. Hierdoor is de beoordeling of er sprake is van een ‘afvalstof’ erg casuïstisch. Daarom start het Hof de beoordeling in deze zaak met de vraag of de afvalstof voor de houder nog nut heeft, dan wel of de stof juist de houder tot last is. Hoewel het evident is dat de partij brandstof een last was voor de Belgische klant, vindt het Hof die constatering niet doorslaggevend. Belangrijker acht het Hof dat de partij diesel niet beantwoordde aan de koopovereenkomst en daarom door Shell is teruggehaald. In dit geval was de klant niet voornemens de brandstof te verwijderen en heeft zich daarom ook niet ‘ontdaan’ van de stof. Ook Shell was niet voornemens om zich te ontdoen van de brandstof, aangezien Shell de teruggenomen partij weer wilde terugbrengen op de markt.

Oogmerk houder doorslaggevend

Deze zaak bevestigt dat het oogmerk van de houder bepalend is. De Belgische klant heeft een non-conform product ontvangen en wil zijn geld terug. Shell heeft de partij teruggenomen met oog op het terugbrengen op de markt. Dit valt niet onder het ‘zich ontdoen’ van de brandstof, zodat deze partij diesel niet als afvalstof kan worden aangemerkt. Zodoende heeft Shell in deze zaak van het OM niets meer te vrezen.  

 

(*1) HvJ EU 12 december 2013, nr. C-242/12 en nr. C-241/12.

(*2) Voor de relevantie van deze zaak maakt het niet uit dat het Hof zich in deze zaak uitspreekt over het afvalstoffenbegrip uit de afvalstoffenrichtlijn 2006/12, aangezien het afvalstoffenbegrip in de nieuwe richtlijn niet wezenlijk verschilt.

Auteur