Seksuele intimidatie: geen ongewenst gedrag naar subjectieve willekeur

donderdag, 29 oktober 2009

Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij seksuele intimidatie niet bepalend is hoe de verweten gedraging door de betrokkene is ervaren. 

Feiten

Vanaf 1 juli 1974 is werknemer bij werkgever in dienst. Tijdens de kerstborrel van werkgever in 2002 heeft zich een incident voorgedaan: de directeur van werkgever heeft werknemer bij het binnentreden van de met kaarslicht verlichte recreatiezaal in de billen geknepen en daarbij het woord “darkroom” gebruikt.

Naar aanleiding van dit incident is tussen partijen een arbeidsconflict gerezen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk is. De kantonrechter heeft aan de werknemer een ontbindingsvergoeding toegekend. Bij het vaststellen van deze vergoeding heeft de kantonrechter expliciet geen rekening gehouden met door de werknemer geleden pensioenschade en immateriële schade.

Werknemer start vervolgens een separate procedure om schadevergoeding te vorderen. Hij stelt dat hij door de vroegtijdige beëindiging van zijn dienstverband niet meer in staat is om zijn prepensioen rechten uit te oefenen. Naast deze materiële pensioenschade vordert werknemer ook een vergoeding van immateriële schade die hij als gevolg van de seksuele intimidatie heeft geleden. Werknemer heeft aan zijn vorderingen primair ten grondslag gelegd dat werkgever, in de persoon van de directeur, met zijn seksueel intimiderende handeling onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

Kantonrechter en gerechtshof

Kort gezegd hebben zowel de kantonrechter als het gerechtshof geoordeeld dat werkgever zich niet schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie.

Hoge Raad

Werknemer, die in cassatie is gekomen van het arrest van het gerechtshof, komt bij de Hoge Raad ondermeer op tegen de door het hof van belang geachte omstandigheid dat de verweten gedraging voor de directeur geen seksuele lading had (maar enkel als grap was bedoeld). Volgens de werknemer heeft het gerechtshof hiermee miskend dat niet relevant is of de verweten gedraging wel of niet een seksuele lading bevatte of omhelsde, omdat voor de toepassing van artikel 7:646 lid 8 BW (wettelijk begrip seksuele intimidatie) niet bepalend is hoe de aandacht is bedoeld, maar hoe die aandacht is ervaren door de werknemer zelf. De Hoge Raad is het niet eens met de werknemer. De Advocaat-Generaal Rank Berenschot concludeert bij het arrest dat uit de wetsgeschiedenis bij artikel 7:646 lid 8 BW volgt dat niet relevant is hoe de betrokkene dat gedrag heeft ervaren. In deze wetsgeschiedenis is door de minister uitdrukkelijk te kennen gegeven dat in rechte niet gestreden moet worden over de innerlijke belevingswereld van betrokkene. Om die reden is ook door het kabinet afgezien om in de wettelijke definitie van seksuele intimidatie de term “ongewenst” op te nemen. Het is namelijk niet de bedoeling dat ongewenst gedrag naar subjectieve willekeur, seksuele intimidatie oplevert. De Hoge Raad concludeert aldus dat het hof rekening kon houden met de omstandigheid dat de verweten gedraging voor werkgever geen seksuele lading had. De vorderingen van werknemer worden aldus afgewezen.