Schriftelijk bericht van aanbieding aangetekende brief essentieel

woensdag, 30 mei 2012

Dagelijks worden vele (aangetekende) brieven verzonden die, om hun beoogde werking te hebben, de geadresseerde tijdig dienen te bereiken. Denk daarbij aan opzeggingsbrieven, ingebrekestellingen en brieven die tot doel hebben een verjaring te stuiten. De bewijslast dat een dergelijke brief tijdig aan de ontvanger is aangeboden, rust op de afzender. Uit een recent arrest van het Gerechtshof Leeuwarden, blijkt dat een schriftelijk bericht van aanbieding van de postbezorger in dat verband van groot belang is [1].

De relevante feiten en omstandigheden

Tussen appellant X (eiser in eerste aanleg) en geïntimeerde Y (gedaagde in eerste aanleg) stond vast dat Y in opdracht en voor rekening van X een uitbouw heeft gerealiseerd aan de achterzijde van de woning van X. Het aanbrengen van de dakbedekking van die uitbouw heeft Y uitbesteed aan een onderaannemer. Op verzoek van Y inspecteerde deze onderaannemer ongeveer anderhalf jaar na oplevering het dat van de uitbouw. De onderaannemer concludeerde dat de dakbedekking juist was aangebracht, maar dat regelmatig een grote hoeveelheid water op het dak bleef staan, aangezien het afschot van het dak nihil was. Daarbij merkte de onderaannemer op dat zij in de bouwfase reeds had aangedrongen op het aanbrengen van afschot isolatie, teneinde voornoemde problemen te voorkomen, maar dat X toen zelf besloot daarvan af te zien.

Het geschil

X vorderde in eerste aanleg bij de kantonrechter dat Y werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 5.000,-, omdat hij toerekenbaar was tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Daarbij stelde X dat hij Y op 29 maart 2010 per aangetekende brief een sommatie (ingebrekestelling) heeft gezonden, waaraan Y geen gehoor gaf, waarna het verzuim is ingetreden.

De kantonrechter wees de vordering van X af omdat de ontvangst van de sommatie, en daarmee het verzuim, niet was komen vast te staan.

De beoordeling

In hoger beroep stelde X dat de aan Y gerichte brief van 29 maart 2010, met daarin een ingebrekestelling, via TNT Post is verzonden. Niet veel later ontving X de brief retour met de mededeling ‘niet afgehaald’. Naar de mening van X bleek hieruit dat de brief op het adres van Y zou zijn aangeboden.

Veelal is verzuim van de schuldenaar vereist voordat de schuldeiser recht heeft op schadevergoeding (artikel 6:74 BW).

Op grond van artikel 6:82 lid 1 BW treedt het verzuim in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij schriftelijke aanmaning (in deze kwestie de brief van 29 maart 2010), waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en vervolgens nakoming binnen deze termijn uitblijft.

Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (in deze kwestie de in de brief van 29 maart 2010 opgenomen ingebrekestelling), om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt, tenzij de omstandigheid dat de verklaring die persoon niet heeft bereikt het gevolg is van diens eigen handelen.

Uit de relevante jurisprudentie volgt verder dat aan de brief van X van 29 maart 2010 slechts ingebrekestellende werking kan worden toegekend als deze aan Y is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven. Y betwistte dat de brief daadwerkelijk aan hem was aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven.

Anders dan X stelde, volgde naar het oordeel van het Hof uit de door X aangevoerde feiten en omstandigheden niet (het vermoeden) dat de brief van 29 maart 2010 (tijdig) aan Y is aangeboden. Het hof oordeelde dat daartoe was vereist dat (aannemelijk is) dat de postbode een schriftelijk bericht van aanbieding heeft achtergelaten. X kon niet aantonen dat de brief daadwerkelijk aan Y is aangeboden, aangezien hij niet beschikte over een dergelijk schriftelijk bericht.

Volgens het hof is daardoor niet vast komen te staan dat de brief van 29 maart 2010 door Y is ontvangen, waardoor tevens niet is vast komen te staan dat er sprake is geweest van een geldige ingebrekestelling. Het oordeel van de kantonrechter dat zonder ingebrekestelling het verzuim niet kan worden aangenomen werd in hoger beroep niet bestreden.

Het hof oordeelde dan ook dat het vonnis van de kantonrechter diende te worden bekrachtigd, met veroordeling van X als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

Conclusie

Voor de afzender van een brief met een (juridisch) belangrijke verklaring, zoals een ingebrekestelling, een opzeggingsbrief en een brief die tot doel heeft een verjaring te stuiten, is het van groot belang dat hij of zij kan aantonen dat de betreffende brief (tijdig) aan de geadresseerde is verzonden en aangeboden.

De bewijslast rust namelijk op degene die zich op de werking van de verklaring beroept. Wanneer de verklaring bij aangetekende brief is verzonden, zal, indien de geadresseerde betwist de brief te hebben ontvangen, de afzender moeten bewijzen dat hij de brief aangetekend en naar het juiste adres heeft verzonden, en bovendien aannemelijk moeten maken dat de brief aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven.

Een oplossing is om dergelijke brieven per deurwaardersexploot aan de geadresseerde te laten betekenen. Op deze wijze bent u ervan verzekerd dat de brief tijdig en op juiste wijze is verzonden én aangeboden aan de geadresseerde.

Geconcludeerd kan worden dat voor onder andere een deugdelijke ingebrekestelling niet alleen de inhoud van de (sommatie)brief van belang is, maar tevens de wijze waarop deze aan de geadresseerde wordt verzonden en aangeboden. Hoewel het belang in deze kwestie relatief beperkt was (€ 5.000,-), is de conclusie evenzeer relevant voor kwesties met aanzienlijk grotere belangen.

Indien u meer wilt weten over het (laten) opstellen van bijvoorbeeld een deugdelijke ingebrekestelling of het laten betekenen van een brief per deurwaardersexploot, neemt u dan vrijblijvend contact met ons op.

[1] Hof Leeuwarden, 8 mei 2012, LJN: BW5311

Auteur