Schade piraterij is averij-grosse

maandag, 27 september 2010

Op weg naar Europa en Rusland is op of omstreeks 28 mei 2008 het schip de Lehmann Timber gekaapt door Somalische piraten in de Golf van Aden. De piraten waren gewapend, eisten losgeld en dreigden het schip te laten zinken. Na betaling van een losgeld van USD 752.250 door de rederij hebben de piraten het schip verlaten. Vervolgens is het schip, dat bij de kaping beschadigd was geraakt, naar een noodhaven in Oman gesleept. Aldaar is de Lehmann Timber gerepareerd om haar reis richting Europa en Rusland te kunnen vervolgen.

De rederij heeft de schade door en rond de kaping averij-grosse verklaard. Averij-grosse houdt in dat de bijzondere opofferingen die zijn gemaakt om schip en lading voor een gemeenschappelijk gevaar te behoeden, door de gezamenlijke belanghebbenden, evenredig naar de mate van hun belang, worden gedragen. De averij-grosse diende in dit geval te worden vastgesteld en afgewikkeld overeenkomstig de York-Antwerp Rules 1994. Deze regels vormen standaardvoorwaarden die bij zeevervoer vrijwel altijd door partijen in hun vervoerovereenkomst van toepassing worden verklaard.

Als dispacheur is aangesteld Stichting Hahn Hilbrich GmbH. Een dispacheur heeft als taak het opmaken van de schade bij averij-grosse en de verdeling ervan. De dispacheur heeft de ladingbelanghebbenden verzocht om zekerheid te stellen voor hun aandeel in de averij-grosse.

Een van de ladingbelanghebbenden was de firma Metall Market, die cognossementen hield van 1.089 staalrollen die naar St. Petersburg moesten worden vervoerd. Voor Metall Market vormde het verlenen van zekerheid een probleem. Zij was slechts in staat zekerheid te verschaffen voor 98 staalrollen. De overige staalrollen waren namelijk onverzekerd. Ondanks herhaaldelijke verzoeken, gesprekken en toezeggingen heeft Metall Market geen zekerheid gesteld voor de overige 991 rollen staal, en dus haar aandeel in de averij-grosse.

Omdat het grootste gedeelte van de zekerheid voor het aandeel in de averij-grosse uitbleef en de rederij problemen voorzag bij het uitoefenen van haar retentierechten op de lading in St. Petersburg, heeft zij de Lehmann Timber uit laten wijken naar Hamina in Finland, een vestingstadje aan de Finse Golf op ongeveer 200 kilometer van St. Petersburg. Zogenaamd was de reden voor het uitwijken van het schip naar Finland gelegen in de noodzaak tot bevoorrading. In werkelijkheid wilde de rederij de staalrollen die aan Metall Market toebehoorden opslaan in een safehouse in de haven van Hamina. Dit is ook gebeurd op 1 oktober 2008.

Metall Market houdt de rederij aansprakelijk voor de schade die zij lijdt door het niet uitleveren van de lading in St. Petersburg. Zij tracht door de Lehmann Timber aan de ketting te leggen zekerheid te verkrijgen voor het verhaal van haar oplopende schade. Na eerdere beslagen in Finland en Marokko, welke werden opgeheven, volgt een beslag op het schip in Nederland. Middels een kortgeding bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam tracht de rederij het gelegde beslag op te heffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de kaping naar het toepasselijke Engelse recht en de York Antwerp Rules een averij-grosse incident is. Metall Market was daarom gehouden tot een zekerheidstelling voor haar aandeel in de averij-grosse. Bovendien oordeelt de voorzieningenrechter dat de rederij zowel naar Engels als Russisch recht een retentierecht heeft op de lading staalrollen. Omdat onzeker was of dit retentierecht in St. Petersburg geëffectueerd zou kunnen worden – volgens de verkregen informatie was daartoe geen toereikende mogelijkheid voorhanden in St. Petersburg – mocht het schip uitwijken naar Finland, om aldaar haar retentierecht te kunnen uitoefenen. De voorzieningenrechter ziet geen causaal verband tussen de door Metall Market geleden schade en het uitwijken van de Lehmann Timber naar Finland. 

Het Gerechtshof Den Haag volgt in hoger beroep grotendeels de redenering van de voorzieningenrechter. Na de weigering van Metall Market om zekerheid te stellen, mocht de rederij uitwijken naar Hamina om haar retentierecht uit te oefenen en de zekerheidstelling af te wachten. Het Hof voegt daar aan toe dat de ontstane impasse voor een belangrijk deel te wijten is aan de gedragingen van Metall Market. Zij heeft immers, ondanks toezeggingen daartoe, geen zekerheid gesteld voor haar aandeel in de averij-grosse. Gezien het voorgaande oordeelt het Hof dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering die Metall Market pretendeert te hebben op de rederij. Het beslag wordt opgeheven.

Conclusie

De kosten die samenhangen met kaping en piraterij mogen averij-grosse worden verklaard. Dat geldt ook naar Nederlands recht. Dat kende voorheen zelfs een wetsbepaling van deze strekking, waarvan de geschiedenis teruggaat tot het Romeinse recht. Hierdoor waren de ladingbelanghebbenden gehouden hun aandeel in de averij-grosse te betalen aan de reder en hiervoor zekerheid te stellen.

Nu zekerheidstelling uitbleef, had de rederij het recht om haar “possessory lien” op de lading uit te oefenen. Heeft de rederij een dergelijk retentierecht dan is het haar toegestaan haar schip te laten uitwijken naar een land/haven waar dit retentierecht ook daadwerkelijk geëffectueerd kan worden. Het maakt hierbij niet uit of een dergelijk land/haven niet direct op de vaarroute ligt. Voldoende is dat er een gegronde vrees bestaat dat in het land van bestemming het retentierecht moeilijk of niet te effectueren is.

Gerelateerd aan
Auteur