Samsung's online distributie-afspraken leiden tot bevoegdheidsvragen bij Europese rechter

dinsdag, 12 januari 2016

Een geschil tussen een Franse retailer en Samsung over beperkingen op internetverkoop heeft de Europese rechter bereikt. De retailer Concurrence eiste bij de Franse rechter een verbod op de verkoop van Samsung producten via Amazon. De Franse Hoge Raad stelt  de vraag of zij bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. 

Achtergrond 

Concurrence was een erkende distributeur van Samsung elektronica en mocht volgens het distributiecontract geen Samsung producten verkopen buiten het selectieve distributienetwerk of via online marktplaatsen. Toen Samsung erachter kwam dat Concurrence in weerwil van deze bepaling producten via een online marktplaats verkocht, beëindigde zij de selectieve distributieovereenkomst. Concurrence was van mening dat deze bepaling discriminatoir werd toegepast omdat Amazon producten van andere dealers aanbood via haar websites in Frankrijk en andere landen. 

Bevoegdheidskwestie 

Concurrence wenst een oordeel van de Franse hoogste rechter over het distributiebeleid van Samsung en eist een verbod op de verkoop van Samsung producten via Amazon in Frankrijk, Duitsland, Engeland, Spanje en Italië. Op 23 november 2015 heeft het hoogste rechtscollege in Frankrijk (Cour de Cassation) een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Prejudiciële vragen kunnen door een nationale rechterlijke instantie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden gesteld over de uitleg van Europees recht. 

De Franse Hoge Raad vraagt of het rechtsmacht heeft ten aanzien van het gedeelte van de claim dat ziet op Amazon’s websites buiten Frankrijk. Antwoord op deze vraag hangt af van de interpretatie van de Brussel I-Verordering. De Brussel-I Verordening bevat o.a. regels over welke rechter bevoegd is te oordelen bij grensoverschrijdende geschillen binnen de Europese Unie. De prejudiciële vraag ziet nog op de voormalige Brussel I-Verordening. De gewijzigde Brussel I-Verordening is vanaf 10 januari 2015 van kracht. 

De bevoegde instanties in eerste en tweede aanleg beantwoordde deze vraag ontkennend. Zij overwogen dat zij niet bevoegd waren om kennis te nemen van het geschil omdat Franse rechters volgens hen alleen rechtsmacht hebben in geschillen over internetverkoop die betrekking hebben op distributie via websites die specifiek gericht zijn op het Franse publiek. 

De Brussel I-Verordening staat echter toe dat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad een (rechts)persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen (artikel 5 punt 3 van de voormalige Brussel I-Verordening, artikel 7 punt 2 van de gewijzigde Brussel I-Verordening). 

De vraag die aan het Hof voorligt is of gerechten binnen een lidstaat bevoegd zijn kennis te nemen van een onrechtmatige daadsactie die betrekking heeft op internetverkoop enkel en alleen omdat de website toegankelijk is of was vanaf het grondgebied van die lidstaat. In andere woorden, kan worden gesteld dat de enkele toegang tot een website vanaf een bepaald grondgebied met zich meebrengt dat de schadeveroorzakende gebeurtenis kan worden geacht in dat land te hebben plaatsgevonden? 

Heeft u vragen over dit onderwerp? Mail vrijblijvend met Minos van Joolingen  of Esra van der Wolk.