Publicatie

Samenleven als waren zij gehuwd

maandag, 9 maart 2015

Na een huwelijk van om en nabij vier jaren vraagt de man de Rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen hem en zijn vrouw uit te spreken en een notaris aan te stellen voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw verschijnt niet, met als gevolg dat de rechtbank de verzoeken van de man onverkort toewijst. De vrouw stelt appel van de echtscheidingsbeschikking in en vordert bij het hof vernietiging van de beschikking en partneralimentatie. De man voert tegen dat laatste verzoek verweer, stellende dat de vrouw geen aanspraak op partneralimentatie kan maken, omdat zij samenleeft met een ander ‘als waren zij gehuwd’.  

Voor de beantwoording van de vraag of de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, is vereist dat tussen hen een affectieve relatie (1) bestaat van duurzame aard (2) die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen (3), met elkaar samenwonen (4) en een gemeenschappelijke huishouding voeren (5). Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd. Dat brengt met zich mee dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door artikel 1:160 BW gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting tot het betalen van partneralimentatie. 

Het debat tussen partijen bij het hof over de vraag of aan voornoemde criteria is voldaan, is zeer beperkt. Ter onderbouwing van zijn verweer dat de vrouw samenwoont met een ander ‘als waren zij gehuwd’ voert de man - kort gezegd - aan dat de vrouw een kind van haar partner verwacht, zij bij haar partner is ingetrokken en aan een ieder (vrienden, kennissen en zakelijke relaties) haar adreswijziging heeft doorgegeven. Voorts betoogt de man dat de vrouw zich bij dezelfde tandarts als haar partner heeft ingeschreven, dat de vrouw in de omgeving van haar nieuwe adres solliciteert en dat zij contact heeft met de ouders van haar partner. De vrouw laat zich in haar verweerschrift, maar ook gedurende de mondelinge behandeling op geen enkele wijze uit over het beroep van de man op artikel 1:160 BW.  

Naar aanleiding van dit debat overweegt het hof:  

“8. Het hof overweegt als volgt. De man heeft nauwkeurig aangegeven vanaf welke datum de vrouw met de heer X samenwoont. De vrouw is tijdens het huwelijk met de man bevallen van een kind, waarvan vaststaat dat het niet het kind van de man is. Zij heeft de man niet geïnformeerd over het kind. De vrouw heeft contact met de ouders van de heer X. Gezien deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, welke niet door de vrouw zijn weersproken, is er een duidelijk bewijsvermoeden dat de vrouw samenwoont als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW. Het had op de weg van de vrouw gelegen om dat bewijsvermoeden te weerleggen, hetgeen zij naar het oordeel van het hof niet heeft gedaan. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat vast is komen te staan dat sprake is van een samenleven als bedoeld in artikel 1:160 BW, waardoor van rechtswege een definitief einde komt aan de onderhoudsplicht van de man. Het verzoek van de vrouw een partneralimentatie te bepalen, zal worden afgewezen. De grieven van partijen aangaande de behoefte en de draagkracht behoeven dan ook geen bespreking meer.”  

Het hof wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in haar levensonderhoud op grond van artikel 1:160 BW dus af.  Bovendien stelt het hof vast dat door het samenleven van de vrouw van rechtswege een definitief einde is gekomen aan de onderhoudsplicht van de man. De vrouw casseert van de uitspraak van het hof en stelt dat het hof artikel 1:160 BW niet restrictief heeft uitgelegd, en dat het hof haar beschikking op dit punt, gezien de strenge motiveringseisen, onvoldoende heeft gemotiveerd.  

De Hoge Raad stelt de vrouw in het gelijk. Op grond van vaste jurisprudentie heeft het hof, volgens de Hoge Raad, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, door enkel de hiervoor genoemde vaststellingen  ten grondslag te leggen aan het bewijsvermoeden dat de vrouw in de zin van art. 1:160 BW is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Het  hof heeft in haar oordeel namelijk niet betrokken of ook sprake is van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en die ander. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.  

De Advocaat-Generaal merkt in zijn conclusie nog op dat de motiveringseisen voor het vaststellen van een ‘samenleven’ in de zin van artikel 1:160 BW niet zo ver gaan dat het hof voor elk van de criteria van artikel 1:160 BW telkens de feiten en omstandigheden zou moeten aangeven waarop het oordeel berust dat aan het desbetreffende criteria is voldaan. Wel is volgens hem nodig dat uit de beschikking blijkt waarop het oordeel berust dat aan elk van de cumulatieve criteria is voldaan. Ook hij concludeert dat de beschikking van het hof daarin te kort schiet.  

Vindplaats: HR 15 november 2013 ECLI:NL:HR:2013:1246

Lees meer over artikel 1:160 BW in mijn artikel: "Samenleven en alimentatie ontvangen? II" dat in het Echtscheidingsbulletin van februari 2015 is verschenen. 

Gepubliceerd in tijdschrift Echtscheidingsbulletin februari 2015 9 maart 2015