Samenleven als waren zij gehuwd III

dinsdag, 12 mei 2015

Op 9 maart 2015 publiceerde ik het artikel genaamd ‘samenleven als waren zij gehuwd’, waarin de uitspraak van de Hoge Raad van 15 november 2013 werd besproken (*1). In deze zaak stelde de man dat de vrouw geen aanspraak op partneralimentatie kon maken, omdat zij samenleefde met een ander ‘als waren zij gehuwd’. Het hof volgde dat betoog van de man. De Hoge Raad maakte echter korte metten met dat oordeel van het hof. Zo zou het hof in haar oordeel niet hebben betrokken of ook sprake is van een “affectieve relatie”, “wederzijdse verzorging” en een “gemeenschappelijke huishouding tussen de vrouw en de ander”. De zaak werd daarom verwezen naar het Hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Op 3 maart 2015 heeft dat hof uitspraak gedaan.

Feiten 

Alvorens de zaak juridisch inhoudelijk te behandelen, zet ik nog even kort de feiten op een rijtje.

In deze zaak heeft de man na een huwelijk van ongeveer vier jaar de Rechtbank Rotterdam verzocht de echtscheiding tussen hem en zijn vrouw uit te spreken en een notaris aan te stellen voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw is tijdens het huwelijk met de man bevallen van een kind. Vast staat dat het kind niet van de man is. De vrouw voert geen verweer en verschijnt niet ter zitting. De verzoeken van de man werden daarom door de rechtbank onverkort toegewezen. De vrouw stelde appel van de echtscheidingsbeschikking in en vorderde bij het hof vernietiging van de beschikking en partneralimentatie. De man voerde tegen dat laatste verzoek verweer, stellende dat de vrouw geen aanspraak op partneralimentatie kon maken, omdat zij zou samenleven met een ander ‘als waren zij gehuwd’. Hoewel het debat tussen partijen over de vraag of aan de vereisten van artikel 1:160 BW is voldaan, betrekkelijk summier was, wees het hof het verzoek van de vrouw om partneralimentatie af.

Omvang rechtsstrijd

Als een zaak door de Hoge Raad wordt verwezen naar een gerechtshof, dan heeft dat gerechtshof eerst de omvang van de nog resterende rechtsstrijd tussen partijen vast te stellen. Volgens vaste rechtspraak is dat hof in beginsel gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen.

Voor de beantwoording van de vraag of de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, is vereist dat tussen hen een affectieve relatie (1) bestaat van duurzame aard (2) die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen (3), met elkaar samenwonen (4) en een gemeenschappelijke huishouding voeren (5). Zoals destijds in mijn artikel schreef, dient de bepaling van artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW) restrictief te worden uitgelegd.

Aangezien de Hoge Raad de klachten van de vrouw tegen het oordeel van het hof dat de vrouw zou samenwonen met een ander (4) had verworpen (waardoor de samenleving van de vrouw met haar partner kwam vast te staan), diende het Hof Amsterdam slechts nog vast te stellen of in de situatie van de vrouw en haar partner sprake was van een affectieve relatie (1) van duurzame aard (2), wederzijdse verzorging (3) en een gemeenschappelijke huishouding (5).

Inhoudelijk oordeel hof

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw allereerst onvoldoende betwist dat tussen haar en haar partner sprake was van een duurzame affectieve relatie. Hoewel het feit dat de partner de (biologische) vader van het kind van de vrouw is op zichzelf bezien daarvoor niet doorslaggevend is, blijkt uit de door de man in het geding gebrachte e-mails tussen de vrouw en de partner en tussen de vrouw en de ouders van de partner wel degelijk dat de relatie tussen de vrouw en haar partner affectief (1) en duurzaam (2) van aard was. Op basis hiervan oordeelde het hof dat er sprake was van een duurzame en affectieve relatie.

Voorts onderbouwde de man zijn stelling dat er sprake was van wederzijdse verzorging en van een gemeenschappelijke huishouding door, naast bovengenoemde e-mails, te verwijzen naar een tweetal betalingen die de partner aan de vrouw heeft gedaan. De slechts blote ontkenningen van de vrouw en een schriftelijke verklaring van haar partner dat hij in geen enkel tijdsbestek heeft voorzien in levensonderhoud van de vrouw, vormen voor het hof echter geen enkele aanleiding om niet vast te stellen dat ook aan de criteria van wederzijdse verzorging (3) en gemeenschappelijke huishouding (5) is voldaan.

Tot slot betoogde de vrouw ter zitting in hoger beroep nog dat de beoordeling,dat zij zou samenleven met een ander als ware zij gehuwd, niet met terugwerkende kracht zou dienen te geschieden. De relatie van de vrouw met haar partner bleek inmiddels gestrand, op basis waarvan zij vond nog steeds aanspraak op partneralimentatie te kunnen maken. Die vlieger ging echter niet op. Indien op enig moment vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking namelijk aan de vereisten van artikel 1:160 BW is voldaan, eindigt op dat moment het recht op levensonderhoud.   

Conclusie hof

Nu ten tijde van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan alle vereisten van artikel 1:160 BW was voldaan, is de man nooit alimentatieplichtig jegens de vrouw geworden. Het verzoek van de vrouw om partneralimentatie werd daarom door het hof alsnog afgewezen.  

Vindplaats: Gerechtshof Amsterdam 3 maart 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:753

Verwijzing naar eerdere nieuwsbrieven: Samen leven en alimentatie ontvangen?, Samenleven als waren zij gehuwd I.