Salaris werknemer niet te verhalen bij moedervennootschap van werkgever op grond van de 403-verklaring die de moedervennootschap heeft afgegeven voor dochtervennootschap (i.c. werkgever)

woensdag, 6 oktober 2010

In het onderstaande zal het vonnis van rechtbank Haarlem d.d. 28 juli 2010, JIN 2010, 697 worden besproken. In dit vonnis oordeelde de rechtbank over de vraag of de preferentie die de werknemer op grond van artikel 3:288 sub e BW heeft in het faillissement van zijn werkgever ook geldt in het faillissement van de moeder op grond van door haar afgegeven 403 verklaring voor de dochter.

Feiten

KPNQwest N.V. (“de NV”) is op 31 mei 2002 door de rechtbank Haarlem in staat van faillissement verklaard. KPNQwest IP Services B.V. (“de BV”) was een dochter van de NV. De BV is op 5 juni 2002 failliet verklaard.

De NV heeft over de maanden januari, februari en maart 2000 het salaris van de werknemer (“eiser”) uitbetaald. Daarna heeft de BV het salaris van eiser uitbetaald.

Op 25 maart 2002 heeft eiser een hem voorgelegde verklaring ondertekend, waarin onder meer stond vermeld dat hij geen bezwaar maakte tegen het ontslag dat op 21 maart 2002 door zijn werkgever, de BV, is aangezegd wegens bedrijfseconomische ontslagredenen.

Bij brief van 24 april 2002 heeft de BV aan eiser medegedeeld dat zijn arbeidscontract bij de BV op 1 augustus 2002 zou worden beëindigd.

In het Sociaal Plan dat is opgesteld door de BV, de ondernemingsraad van de BV en de vakbondsvertegenwoordigers (“het sociaal plan”) stond onder meer dat met het sociaal plan wordt beoogd om de nadelige gevolgen van de reorganisatie voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die door de BV zijn ontslagen zoveel mogelijk te beperken.

Eiser heeft vervolgens zijn vordering ingediend bij BV. Deze vordering is op grond van artikel 3:288 sub e BW door de curator aangemerkt als preferent. Daarnaast heeft eiser zijn vordering ook als preferente vordering ingediend bij de NV. De curator heeft deze vordering weliswaar erkend, maar de preferentie is door hem betwist.

De NV heeft verklaard ten behoeve van de BV een 403-verklaring te hebben afgegeven, waardoor de NV hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen van de BV.

De vordering en de beoordeling door de rechtbank

Eiser vordert toelating van zijn vordering uit hoofde van het sociaal plan ad € 61.025,95 op de lijst van erkende preferente vorderingen van de NV met veroordeling van de curatoren in de proceskosten.

Eiser heeft een aantal stellingen ten grondslag gelegd aan zijn vordering. Gelet op de strekking van dit artikel zullen deze niet allen worden behandeld. In dit artikel wordt enkel aandacht besteed aan de stelling dat eiser op grond van de door de NV afgegeven 403-verklaring ex artikel 3:288 sub e BW een preferente vordering heeft op de NV.

De curatoren hebben hiertegen aangevoerd dat voornoemde preferentie slechts volgt uit de wet en niet kan ontstaan door de 403-verklaring.

De rechtbank heeft geoordeeld dat dit verweer van de curatoren slaagt en heeft dit als volgt onderbouwd.

Ten eerste ging de rechtbank nader in op het doel van artikel 2:403 BW. Uit hoofde van dit artikel behoeft een tot een groep behorende rechtspersoon geen jaarrekening overeenkomstig de voorschriften van titel 9 van boek 2 BW in te richten, als is voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden. Eén van die voorwaarden (onder f) is dat de rechtspersoon of vennootschap die de financiële gegevens van de dochtervennootschap heeft geconsolideerd in haar jaarrekening schriftelijk heeft verklaard zich hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor schulden van de dochtervennootschap die uit rechtshandelingen voortvloeien. Met deze 403-verklaring kunnen crediteuren van de dochtervennootschap aanspraken op die vennootschap ook verhalen op de moedervennootschap, voor zover deze aanspraken voortvloeien uit een rechtshandeling van de dochtervennootschap. De ratio van de 403-verklaring is dat op deze wijze crediteuren van de dochtervennootschap worden gecompenseerd voor het gebrek aan inzicht in de financiële gesteldheid van de dochtervennootschap. Hieruit volgt dat het beroep van eiser op de 403-verklaring vooronderstelt dat zijn vordering voortvloeit uit een rechtshandeling (in dit geval de beëindiging van de arbeidsovereenkomst) met de BV.

Voorts gaat de rechtbank eerst in op het beginsel van artikel 3:277 BW. In dit artikel is immers bepaald dat schuldeisers onderling een gelijk recht hebben om uit de netto-opbrengst van de goederen van hun schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens door de wet erkende redenen van voorrang. Ingevolge artikel 3:278 BW vloeit voorrang voort uit pand, hypotheek en voorrecht en ontstaan voorrechten alleen uit de wet. In het onderhavige geval vloeit de preferentie van eiser voort uit artikel 3:288 sub e BW. Het betreft de vorderingen van eiser op zijn werkgever, de BV, in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarbij het object van het voorrecht het gehele vermogen van de BV is.

De rechtbank komt dan tot de volgende conclusie.

“Aanvaarding van de stelling van [eiser] zou er toe leiden dat het object van het voorrecht ingevolge de 403-verklaring zou worden uitgebreid met het vermogen van de NV. Nu evenwel uit de tekst van artikel 2:403 BW slechts volgt dat de NV ingevolge de 403 verklaring (hoofdelijk) aansprakelijk is voor schulden die uit rechtshandelingen van de BV voortvloeien, is daarvoor geen steun te vinden in de wet.”

Conclusie

Uit dit vonnis volgt aldus dat indien de boedel van de failliete werkgever negatief is en de faillissementsschuldeisers (waaronder de werknemer) niets krijgt uitgekeerd, een beroep op de door de moeder afgegeven  403- verklaring de werknemer niet zal baten. Volgens de rechtbank volgt die preferentie slechts uit de wet en kan deze niet ontstaan door de 403-verklaring.