Ruimte voor de 'gewone schuldeiser'

dinsdag, 17 oktober 2006

Als minister Donner de ideeën voor een nieuwe Insolventiewet overneemt creëert hij meer flexibiliteit voor bedrijven. Wel moet er oog blijven voor de vele belangen. 

De commissie-Kortmann wil bij het opstellen van een voorontwerp voor een nieuwe Insolventiewet terecht meer ruimte bieden aan de mogelijkheden om ondernemingen te reorganiseren bij faillissement of insolventie. In een brief van 29 juni aan minister Donner van Justitie geeft de commissie aan dat ze daarvoor een aantal instrumenten in het ontwerp wil opnemen.

Belangrijk nieuws voor de ‘gewone schuldeisers’ is dat de positie van zogenaamde preferente — bevoorrechte — crediteuren wordt beperkt. Op dit moment gaan de gelden uit faillissementen in een groot percentage van de gevallen volledig naar de belastingdienst of het UWV, die beide een hoogpreferente vordering hebben. Als het aan de commissie ligt komt daarin verandering: voortaan zullen de gewone schuldeisers de helft ontvangen van het bedrag dat aan preferente schuldeisers wordt uitgekeerd. Het aantal uitkeringen aan de gewone schuldeisers zal daarmee aanzienlijk stijgen.

In de tweede plaats voorziet de commissie een regeling die de curator in zekere mate exclusieve bevoegdheden verleent bij het verkopen van de bedrijfsmiddelen als de onderneming wordt voortgezet. Op dit moment wordt die verkoop vaak afgedwongen door de bank, soms ten koste van de mogelijkheden het bedrijf voort te zetten. Het nieuwe wetsontwerp zal de mogelijkheden van de bank in dit opzicht beperken. Het doel daarvan is de mogelijkheden van continuïteit en reorganisatie te vergroten.

Het vermogen om het bedrijf te reorganiseren wordt verder ondersteund doordat de curator of bewindvoerder gedurende een bepaalde periode leveranciers van goederen en diensten kan verplichten om deze — tegen betaling — ook na de uitspraak van het faillissement/insolventie voort te zetten. De eventuele betalingsachterstand van voor de datum van de uitspraak kan voor de leverancier geen grond meer opleveren voor opschorting of weigering van diensten.

Tenslotte zal het wetsontwerp in een informele — stille — reorganisatie voorzien. Deze reorganisatie kan dan worden uitgevoerd onder begeleiding van een informele bewindvoerder. Een dergelijke reorganisatie kan in relatieve beslotenheid plaatsvinden.

De commissie-Kortmann merkt terecht op dat de ontslagbescherming en hoge afvloeiingskosten in de huidige praktijk niet zelden een onoverkomelijke hindernis vormen voor reorganisatie buiten faillissement. Volgens de commissie verdient het de voorkeur dat knelpunt op te heffen door een aanpassing van het algemeen ontslagrecht.

Het voorontwerp voor een nieuwe Insolventiewet zal geen bijzondere of aangepaste ontslagregeling bevatten. Wel zal het voorontwerp voorzien in de mogelijkheid om een buitengerechtelijk tot stand gekomen akkoord verbindend te verklaren voor alle bekende schuldeisers.

Het is te bezien in hoeverre de minister de suggestie tot aanpassing van het algemeen ontslagrecht in dit soort situaties ‘oppakt’. Maar als hij dat doet zal het nieuwe wetsontwerp een aanzienlijke verhoging van de flexibiliteit van de ondernemingen met zich mee gaan brengen. Uiteraard moet daarbij wel een redelijk evenwicht gevonden worden tussen de maatschappelijke wens om dit soort reorganisaties mogelijk te maken, de wens om de kapitaalvernietiging die faillissementen veelal met zich meebrengen te voorkomen en met de ook in dit soort situaties in het oog te houden bescherming van de gerechtvaardigde belangen van werknemers.

Te denken valt aan de verbetering van de onderhandelingspositie van de werknemers, zodanig dat zij ervan verzekerd zijn dat zij over alle benodigde relevante — financiële — informatie beschikken. In financiële zin zijn de mogelijkheden van de ondernemingen in dit soort situaties per definitie beperkt. Voor zover de wetgever het maatschappelijk van belang acht toch in zekere mate vergoedingen aan werknemers toe te kennen, zou een flexibilisering van de werkloosheids-wetgeving op dit punt mogelijk een oplossing kunnen bieden.

Voor de gewone handelscrediteuren is het te verwachten wetsontwerp in ieder geval pure winst. Veel vaker dan tot nu toe zullen zij uitkeringen uit faillissementen kunnen ontvangen. Of de nieuwe insolventiewetgeving ook het reorganiserend vermogen van de ondernemingen daadwerkelijk zal vergroten, gaat in belangrijke mate afhangen van de vraag of de wetgever voor dit soort omstandigheden zal zorgen voor een aangepast ontslagrecht.