Reikwijdte decharge: een kwestie van uitleg

dinsdag, 11 november 2014

Decharge is een veelbesproken juridisch begrip. In een recente uitspraak (JOR 2014/262) heeft de rechtbank Overijssel geoordeeld over de inhoud en reikwijdte van een verleende decharge. De rechtbank oordeelt dat een verleende decharge moet worden uitgelegd zoals ook overeenkomsten moeten worden uitgelegd en dat in deze door de vennootschap onvoldoende is gesteld om te kunnen aannemen dat bepaalde feiten niet onder het bereik van die decharge vallen.

In de aan de uitspraak ten grondslag liggende casus betrof het een vennootschap waarvan twee aandeelhouders de derde aandeelhouder uitkochten (alle drie holdings). De drie aandeelhouders waren alle drie tevens (als holdings dus) statutair bestuurders van de vennootschap. Bij het uitkopen van de derde aandeelhouder (in maart 2011) is bepaald dat deze terugtreedt als bestuurder van de vennootschap en dat aan de bestuurder decharge wordt verleend voor het door hem tot datum X gevoerde bestuur.

Na de verleende decharge bleek dat de afgetreden bestuurder in voorgaande jaren ongegronde betalingen had verricht namens de vennootschap aan partijen die aan hem zijn gerelateerd. De bestuurder (de holding dus) was ondertussen, dus na het aftreden, failliet gegaan. Om die reden spreekt de vennootschap niet de holding aan, maar de natuurlijke persoon daarachter, op grond van schending van artikelen 2:9 BW (de zogeheten interne aansprakelijkheidsnorm die geldt voor bestuurders versus de rechtspersoon) en artikel 6:162 BW (de onrechtmatige daad) vanwege de verrichte betalingen. De natuurlijke persoon verweert zich en grijpt naar de decharge die is verleend in 2011.

De rechtbank oordeelt dat moet worden nagegaan welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de decharge mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, de zogenaamde Haviltexmaatstaf. Daarbij kan gewicht worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen van de bepaling (Hoge Raad 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013: BY8101). Verder oordeelt de rechtbank dat het hier gaat om een zakelijke overeenkomst die tussen professionele partijen is gesloten en waarbij partijen juridische bijstand van een notaris hebben genoten. Gezien deze omstandigheden ligt een taalkundige/grammaticale uitleg van de dechargebepaling als vertrekpunt in beginsel in de rede. Een redelijke taalkundige/grammaticale uitleg brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat voorshands moet worden aangenomen dat de decharge moet worden uitgelegd in de door gedaagde voorgestane zin, dat wil zeggen dat de decharge zich mede uitstrekt over de verrichte betalingen. Daar komt bij dat de vennootschap onvoldoende heeft gesteld waarom de decharge niet tevens zou zien op die betalingen, nu die betalingen indirect uit de boekhouding van de vennootschap kenbaar waren.

Interessant is dat in dit kader dus een zeer ruime werking wordt toebedeeld aan de decharge. Allereerst blijkt dat de verleende decharge dus tevens ziet op de natuurlijke persoon achter de holding, en niet alleen op de holding/bestuurder zelf. Verder valt ook op dat de decharge (deels) “frauduleuze” handelingen lijkt te dekken (vgl. HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308). Ten derde wordt een ruime uitleg gegeven aan de decharge in die zin dat zaken die indirect kenbaar waren uit de boekhouding, tevens onder die decharge vallen. Er wordt – zo merkt ook annotator Verboom op - door de rechtbank in dit licht niet duidelijk ingegaan op het doorgaans veelgehoorde “kenbaarheidsvereiste” dat inhoudt dat een decharge zich uitsluitend strekt over zaken die aan de Ava bekend waren (en niet zozeer bekend waren aan individuele aandeelhouders) (vgl. HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360). Dit zou kunnen worden verklaard door het feit dat het hier een tussentijdse decharge betreft. Aan deze tussentijdse decharge zou een veel ruimere strekking toekomen dan aan een periodiek op basis van de jaarstukken verleende decharge, omdat met een tussentijdse decharge wordt beoogd om een soort finale afrekening op te maken tussen partijen, ongeacht of de vennootschap nu wel of niet bekend is met bepaalde informatie.

Wat hiervan ook zij, duidelijk is dat - zeker waar het een tussentijdse decharge betreft – de vennootschap zich dient te realiseren dat deze decharge te allen tijde onderworpen is aan de vaste uitlegjurisprudentie van de Hoge Raad en dus onder omstandigheden een (zeer) ruim toepassingsbereik kan hebben. Goed onderzoek is dus geboden voordat de decharge wordt verleend!