Redelijke termijn bestuursrecht uniform: 4 jaar

vrijdag, 31 januari 2014

Deze week heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bepaald dat de redelijke termijn voor bestuursrechtelijke procedures vier jaar is. Tot op heden hanteerden de ABRvS en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) een redelijke termijn van vijf jaar. Met deze nieuwe termijn wordt aangesloten bij de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Hoge Raad. Het is de eerste keer dat een bestuursrechtelijke grote kamer een dergelijke uitspraak doet.

In deze procedure werd om vergoeding schade gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De ABRvS heeft vergoeding voor immateriële schade toegewezen. De grote kamer bestond uit: de voorzitter van de ABRvS, de presidenten van de CRvB en het CBb, een lid van de Hoge Raad, tevens staatsraad in buitengewone dienst, en een staatsraad van de ABRvS. De reden voor verkorting van de redelijke termijn is gelegen in het maatschappelijke belang van een spoedige beslechting van geschillen, alsmede het belang van rechtseenheid.

Rechtsregel

Ten aanzien van de nieuwe termijn van vier jaar geldt zowel voor de bezwaar- en beroepsfase, als voor hoger beroep een termijn van twee jaar. Hierbij wordt uitgegaan van een half jaar voor de bezwaarfase en anderhalf jaar voor de beroepsfase. De overheid dient EUR 500 aan immateriële schadevergoeding te betalen voor ieder half jaar dat wordt overschreden.

Objectief gerechtvaardigde termijnoverschrijding

Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. Ingevolge vaste rechtspraak blijft gelden dat de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang legitieme redenen kunnen zijn om een en ander te rechtvaardigen.

Eventuele prejudiciële procedure

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn wordt de duur van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie buiten beschouwing gelaten. Hierbij geldt dat het afwachten van deze beslissing redelijk dient te zijn. Dit geldt zowel voor zaken waarin prejudiciële vragen zijn gesteld als zaken die zijn aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare zaak zijn gesteld.

De buiten beschouwing te laten periode vangt aan op de dag na verzending van de verwijzingsuitspraak door de nationale rechter. Bij aanhouding van een zaak begint de periode niet eerder dan op het moment dat de rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld. De termijn eindigt op de dag van openbaarmaking van de prejudiciële beslissing door het Hof van Justitie. De ABRvS beveelt de rechter aan om, in geval van aanhouding van een zaak, partijen een termijn van zes weken te geven om eventuele bezwaren tegen de beslissing kenbaar te maken. Als partijen bezwaar maken of de rechter biedt hen deze mogelijkheid niet, dan zal de redelijkheid van de aanhouding moeten worden beoordeeld.

Overgangsregeling

Deze nieuwe termijn geldt voor alle bezwaar- en beroepsprocedures die volgen op besluiten die na 1 februari 2014 bekend worden gemaakt. Voor besluiten van voor 1 februari 2014 geldt nog steeds de redelijke termijn van vijf jaar, waarbij wordt uitgegaan van één jaar voor de bezwaarprocedure, twee jaar voor de beroepsprocedure en nogmaals twee jaar voor het hoger beroep.