Rechtbank bevestigt boetes in wasserij-kartel

woensdag, 18 mei 2016

De rechtbank Rotterdam heeft op 12 mei jl. uitspraak gedaan in het zogeheten ‘wasserijkartel’. ACM heeft eerder vier wasserijen actief op het terrein van de gezondheidszorg beboet voor EUR 18 miljoen. Het betrof hier een marktverdeling waarbij elke wasserij, op basis van een toebedeeld rayon, klanten mocht bedienen. De overtreding duurde van 1998 tot en met 2009. De rechtbank bekrachtigt de opgelegde boetes en volgt daarmee de ACM. Eén onderneming ontspringt de dans wegens verjaring.

Voor een uiteenzetting van de feiten in deze zaak verwijs ik naar de eerdere blogs van BANNING over dit onderwerp. Zie:

‘Geen sprake van franchise in wasserijkartel‘ en ‘Kartelboetes voor franchisenemers/aandeelhouders

Commentaar:

De zaak is interessant omdat de rayonneringsafspraken zijn vastgelegd in een franchiseovereenkomst en een bijzondere structuur kende.  De betrokken wasserijen waren alle aandeelhouder in de franchisegever (Rentex Nederland B.V.) hetgeen in een franchisecontext niet gebruikelijk is. Partijen doen evenwel een beroep op een uitzondering van het kartelverbod omdat de afspraken zijn gemaakt in het kader van een franchise. In het primaire besluit en het besluit op bezwaar worden hier veel overwegingen aan gewijd. Dit in tegenstelling tot de rechtbank (rov. 9.2/9.3) die de rayonnering niet ziet als een verticale overeenkomst maar puur horizontaal beoordeelt, als aandeelhouders van franchisegever.

Ook oordeelt de rechtbank dat hier geen sprake is van een franchise in de klassieke zin: het gaat hier niet om de ontwikkeling van een concept dat vervolgens via een franchise constructie wordt overgedragen aan een andere onderneming (actief in een andere schakel van de keten). Het ging hier om het delen en overbrengen van kennis die door afzonderlijke concurrenten was ingebracht, allen actief op dezelfde markt. Het is jammer dat de overwegingen van de rechtbank op dit punt zeer kort zijn. Bij de door ACM gehanteerde definitie van het begrip ‘franchise’ konden de nodige kanttekeningen worden geplaatst. Zo is in de voormalige franchiseverordening, waarop de ACM haar definitie baseert, niet uitgesloten dat een franchiseorganisatie niet mag zijn opgezet door franchisenemers zelf. Evenmin is uitgesloten dat franchisenemers aandelen mogen houden in franchisegever. De inhoudelijke redenering van de rechtbank kunnen wij wel volgen. Mededingingsrechtelijk is het bezwaarlijk als aandeelhouders via de band van de franchisegever onderling afspreken tegen welke voorwaarden zij op de markt opereren.

Wegens overschrijding van het boetemaximum heeft ACM uiteindelijk de boetes voor drie van de vier betrokken ondernemingen moeten verlagen. Eén onderneming heeft desondanks betoogd dat haar boete onevenredig hoog is, vergeleken met de boete van een andere betrokken partij. Die partij heeft een relatief lage boete gekregen ondanks een fors grotere betrokken omzet. Dit betoog slaagt niet. Een dergelijk maatwerk hoeft niet toegepast te worden als de boetes reeds worden verlaagd wegens overschrijding van het boetemaximum. Andere boete verlagende omstandigheden – behoudens een verlaging van EUR 5000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase – worden eveneens afgewezen.

Meer weten? Neem vrijblijvend contact op met Silvia Vinken of één van de andere advocaten van de sectie Mededinging & Aanbesteding.