Reactie II op band echtscheiding en nevenvoorzieningen

zaterdag, 31 januari 2004

Kernvraag is: hoe bijzonder moeten volgens de Hoge Raad de omstandigheden zijn, die ertoe zullen leiden dat het hof de band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen herstelt. Van Teeffelen deelt mijn visie dat de Hoge Raad onnodig strenge criteria lijkt te stellen. Blijkens het slot van zijn hiervoor afgedrukt artikel zal de Bossche appèlrechter de belangen van de appellant, die herstel van de band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen bepleit, afwegen tegen die van de geïntimeerde, die onmiddellijk wil scheiden en pas daarna de gevolgen daarvan definitief wil regelen. Op deze wijze worden de belangen van beide partijen op een faire wijze gewogen.

Het advies van mevrouw De Bruijn-Lückers, om in een dergelijk geval aan het hof te vragen op voorhand te beslissen over de ontvankelijkheid van het appèl tegen de echtscheiding, hoeft niet te betekenen dat het hof vervolgens onnodig strenge criteria stelt om de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen te herstellen. Een beslissing van het hof zal, naar ik aanneem, worden voorafgegaan door een mondelinge behandeling. Ter gelegenheid van die zitting zullen partijen kunnen bepleiten, dat de band tussen de echtscheiding en nevenvoorzieningen zal worden hersteld, dan wel dat niet-ontvankelijkverklaring behoort te volgen. Daarna zal dan de ook door Van Teeffelen voorgestane belangenafweging kunnen volgen.

Intussen is er één feitenrechter geweest, die een beslissing heeft gegeven met betrekking tot het andere in mijn artikel "Band echtscheiding en nevenvoorzieningen" aangeroerde probleem: de geldigheidsduur van de bij voorlopige voorziening vastgestelde alimentatie. In de zaak, die heeft geleid tot de beschikking wijziging voorlopige voorziening van de Rechtbank ’s-Gravenhage d.d. 30 oktober 2003 (rekestnummer 03-5374) was de partneralimentatie op 27 februari 2003 vastgesteld op € 1.520,-- per maand. Op 24 maart 2003 stelde de rechtbank in de hoofdzaak de alimentatieverplichting vast op € 125,-- per maand. De vrouw heeft van die beschikking hoger beroep ingesteld. Voorts verzocht zij de op 27 februari 2003 bij voorlopige voorziening vastgestelde alimentatie te wijzigen, zodanig dat de man tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie zou hebben te voldoen van € 2.188,-- per maand en vanaf die datum ter grootte van € 1.176,-- per maand. De man verzocht de vrouw in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen. De man voerde aan dat de vrouw niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, omdat de bij voorlopige voorziening vastgestelde alimentatie op grond van artikel 126 lid 1c Rv. met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zou zijn vervallen.

De rechtbank overwoog dat artikel 126 lid 1c Rv. op de volgende wijze moet worden uitgelegd: de bij echtscheidingsbeschikking op € 125,-- vastgestelde alimentatie gaat voor dat bedrag in kracht van gewijsde met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Voor het meerdere, waarvoor de vrouw in appèl is gegaan, geldt dat niet, zodat de vrouw belang heeft bij het verzoeken van wijziging. Hoewel de formulering niet geheel helder is, lijkt de rechtbank mijn visie, zoals geformuleerd in EB oktober 2003 pag. 158 en 159, te volgen: na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking is de alimentatieplicht van de man voor € 125,-- gebaseerd op de beslissing van 24 maart 2003 en voor (€ 1.520,-- -/- € 125,-- =) € 1.395,-- op de beschikking voorlopige voorzieningen van 27 februari 2003. De beschikking voorlopige voorzieningen heeft immers haar kracht behouden voor dat deel van die voorlopige voorziening.

Auteur