Raad van State verlaat standpunt over bestandsvereiste bij digitale verwerking persoonsgegevens

vrijdag, 25 juli 2014

Op grond van artikel 2 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is deze wet van toepassing op geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen. Desondanks verbond de Raad van State in zijn uitspraak van 30 januari 2013 het bestandsvereiste ook aan digitale verwerking van persoonsgegevens. Dit standpunt over het bestandsvereiste heeft de Raad van State verlaten in zijn uitspraak van 16 juli 2014.

In de zaak die tot deze uitspraak leidde deed een oud ambtenaar van de gemeente Zevenaar onder meer een beroep op het inzagerecht van artikel 35 Wbp om zijn digitale personeelsdossier te verkrijgen. De rechtbank had in navolging van de uitspraak van 30 januari 2013 van de Raad van State dit verzoek afgewezen, omdat de documenten in dit dossier geen bestand zouden vormen. De oud ambtenaar ging in beroep tegen deze uitspraak bij de Raad van State, die in zijn uitspraak van 16 juli 2014 oordeelde dat in geval van geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens niet van belang is of deze gegevens een bestand vormen of niet.

Het ziet ernaar uit dat de Raad van State met deze uitspraak voorgoed het bestandvereiste bij geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens heeft verlaten. Dit is volkomen terecht. Zoals ook geschreven in mijn nieuwsbriefartikel van september 2013 blijkt uit de wettekst dat de Wbp voor iedere geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van toepassing is. De vraag of de gegevens al dan niet zijn opgenomen in een bestand is hierbij niet relevant.