Private investeerders in de zorg

dinsdag, 1 november 2011

Recent onderzoek van adviesbureau Boer & Croon toont aan dat private investeerders bijzonder geïnteresseerd zijn in overnames in de zorgsector. Volgens het onderzoek zijn er in de eerste drie kwartalen van 2011 25 transacties gerealiseerd. Deze ontwikkeling past helemaal in de visie van het huidige kabinet dat streeft naar meer marktwerking in de zorg om een oplossing te vinden voor de almaar stijgende kosten in deze sector.

Op grond van de huidige wetgeving (de Wet toelating zorginstellingen (“Wtzi”) dienen de meeste zorginstellingen voor de door hen verleende zorg in beginsel te beschikken over een “toelating” van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) teneinde de zorg aan te mogen bieden. In de Wtzi en de daarop gebaseerde regelgeving is bepaald dat een toegelaten zorginstelling in beginsel geen winstoogmerk mag hebben, tenzij de verleende zorg tot een specifiek aangewezen uitzonderingscategorie behoort. Dit betreft vooral de zogenaamde “extramurale” zorg.
Het verbod op het hebben van een winstoogmerk betekent concreet dat de zorginstelling niet gericht mag zijn op het maken van winst én dat de zorginstelling geen winstuitkeringen mag doen.

De door de private investeerders gesloten transacties hebben blijkens het onderzoek dan ook vooral betrekking op zorgactiviteiten waarvoor het verbod op het winstoogmerk niet geldt. De verwachting is gerechtvaardigd dat de private investeringen in de toekomst alleen maar zullen toenemen.
Er zijn namelijk concrete beleidsvoornemens van de minister van VWS om de mogelijkheid om privaat kapitaal aan te trekken in de curatieve zorg te vergemakkelijken en om winstuitkeringen in de zorg in 2013 toe te staan. Idee daarbij is om een gereguleerde winstuitkering in de zorg in te voeren. Het zou volgens de plannen mogelijk moeten worden om winstuitkeringen te doen  nadat drie jaar zijn verstreken na het moment waarop de private investeerder zijn investering heeft gedaan. Voor een winstuitkering is de toestemming van de Inspectie voor de Gezondheidszorg vereist. De Inspectie zal het verzoek aan de hand van vooraf vastgestelde minimum kwaliteits- en solvabiliteitseisen toetsen.

Deze beoogde nieuwe regeling lijkt werkbaar voor private investeerders in de zorg die over het algemeen weloverwogen met een lange termijn doelstelling investeren in de zorgsector.

Private investeerders en de zorg stichting

Gelet op de toenemende interesse van private investeerders voor de zorgsector is het interessant om te bezien of zorginstellingen die geïnteresseerd zijn in het aantrekken van privaat geld thans wel in de juiste rechtsvorm worden gedreven.

Zoals bekend worden veel zorginstelling thans in de vorm van een stichting geëxploiteerd. De stichting is van oudsher de rechtsvorm die wordt gebruikt door instanties die bepaalde ideële doelen trachten te bewerkstelligen. Deze rechtsvorm is naar mijn mening echter minder geschikt voor aantrekking van privaat geld.

De belangrijkste reden hiervoor is dat de stichting een streng wettelijk verankerd uitkeringsverbod kent. Een stichting mag niet tot doel hebben het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen. Aan anderen mag de stichting alleen uitkeringen doen indien deze ideële of sociale strekking hebben. Dit betekent dat een zorg stichting, ook indien in de toekomst het verbod op het winstoogmerk zou verdwijnen, geen winstuitkeringen aan private investeerders kan doen.

Een besloten vennootschap (hierna B.V.) en coöperatie kennen een dergelijk uitkeringsverbod niet. Winstuitkeringen zijn bij deze rechtsvormen in beginsel  onbeperkt mogelijk mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Een tweede reden waarom de stichting minder geschikt is, is gelegen in het feit dat de financiers van een stichting geen wettelijk verankerde stichtingsrechtelijke middelen tot hun beschikking hebben om controle uit te oefenen op het bestuur. Het bestuur is het orgaan dat de feitelijke beslissingen neemt in de organisatie van de stichting en dus ook met betrekking tot de aanwending van de financiële middelen. Dit betekent dat private investeerders die enige invloed willen uitoefenen gedwongen zouden worden om in het bestuur of raad van toezicht van de stichting zitting te nemen. Het is heel wel denkbaar dat private investeerders en zorginstellingen daar niet op zitten te wachten.

In een BV is in veel sterkere mate sprake van democratisch toezicht door kapitaalverschaffers. Het eigen vermogen van BV is in eerste instantie immers afkomstig van aandeelhouders. Aandeelhouders beschikken over vele wettelijk verankerde rechten binnen de organisatie van de BV die hen in staat stellen een zekere mate van invloed uit te oefenen op de aanwending van de beschikbare middelen en het te voeren beleid door de zorginstelling, zonder dat de aandeelhouders daarbij zitting behoeven te nemen in de uitvoerende (of toezichthoudende) organen van de zorginstelling. Daarnaast is de aansprakelijkheid van de aandeelhouder in beginsel beperkt tot het door de aandeelhouder ingebrachte kapitaal. Ook de coöperatie kent in beginsel een “democratisch” controlesysteem. De leden van de coöperatie zijn verenigd in de algemene ledenvergadering, waarin ieder lid (onder meer) stemrecht heeft. De aansprakelijkheid van de leden van de coöperatie voor schulden van de coöperatie kan in de statuten worden beperkt.

Gelet op het voorgaande doet een zorg stichting die nu of in de toekomst privaat geld aan wil trekken er ons inziens goed aan om te onderzoeken of het mogelijk is haar rechtsvorm te wijzigen in een BV of een coöperatie. De wet biedt daarvoor een speciale omzettingsprocedure die gevolgd moet worden.
Het thans in de Wtzi opgenomen verbod op winstoogmerk staat niet in de weg aan omzetting  van een stichting in een BV of coöperatie. Naast de juridische aspecten aspecten van de omzetting zullen uiteraard ook de  fiscale implicaties in ogenschouw moeten worden genomen. Indien de omzetting wordt overwogen is het in ieder geval zaak het traject zeer goed voor te bereiden aangezien het een complexe procedure betreft waarbij veel partijen en organen betrokken zijn en waarvoor uiteindelijk ook een machtiging van de rechter vereist is.