Prejudiciële vragen over omvang toetsing van EU-besluiten door nationale rechter

vrijdag, 10 november 2017

De Hoge Raad heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie gevraagd te verduidelijken wat de omvang van de taak van de nationale rechter is bij de toetsing van EU-besluiten. De beantwoording van deze vraag is van belang in het kader van het bieden van rechtsbescherming tegen besluiten van de Europese Unie. 

Aanleiding voor onder meer deze vraag is een zaak tegen een Nederlands bedrijf dat ijzeren en stalen bevestigingsmaterialen vanuit Maleisië importeert. Van het bedrijf werden in Nederland antidumpingrechten geheven. Voor dit soort materialen van oorsprong uit China heeft de Raad van de EU eerder tot antidumpingmaatregelen besloten. De Raad heeft vervolgens deze maatregelen uitgebreid tot ijzeren en stalen bevestigingsmaterialen die worden verzonden vanuit Maleisië. De Raad kwam tot dit besluit omdat hij aannemelijk achtte dat het antidumpingrecht uit China werd ontweken door overlading in Maleisië.  Vanuit Maleisië zouden de materialen vervolgens worden verzonden naar lidstaten van de Europese Unie met vermelding van een ander land van oorsprong dan China.

Het bedrijf bestrijdt dat de uitbreiding van het antidumpingrecht voor dergelijke materialen verzonden uit Maleisië rechtmatig is. Hoewel het bedrijf weinig weet van de informatie die bij de totstandkoming en vaststelling van de uitbreidingsverordening is gebruikt, stelt het bedrijf dat uit de motivering van de uitbreidingsverordening niet blijkt van bewijs dat het antidumpingrecht voor ijzeren en stalenbevestigingsmiddelen uit China werd ontweken door overlading in Maleisië.

Deze stelling roept bij de Hoge Raad onder meer de vraag op naar de omvang van de taak van de nationale rechter bij toetsing van handelingen van de instellingen van de Europese Unie, zoals in dit geval de verordening van de Raad. Moet deze toetsing beperkt blijven tot de beoordeling van (de lezing van) de verordening zoals deze er ligt of is de rechter bevoegd (de totstandkoming en de vaststelling van) de verordening in volle omvang te toetsen. In dat kader komt vervolgens de vraag op of de nationale rechter de instellingen van de Europese Unie kan gelasten alle stukken beschikbaar te stellen die zij hebben gebruikt bij de totstandkoming en de vaststelling van de verordening zodat het bedrijf zijn argumenten kan onderbouwen en de rechter deze kan beoordelen.

De Hoge Raad houdt de zaak aan totdat onder meer deze vragen door het Hof van Justitie zijn beantwoord.

Onderliggende uitspraak: ECLI:NL:HR:2017:2820

Bron: www.rechtspraak.nl

Auteur