Partijbedoeling prevaleert

maandag, 19 mei 2014

De Hoge Raad heeft zich in het afgelopen jaar diverse keren uitgelaten over de wijze waarop een overeenkomst geïnterpreteerd dient te worden. Het meest recente arrest heeft de Hoge Raad gewezen op 7 februari jl. (ECLI:NL:HR:2014:260) *1). Hoewel het in deze zaak niet ging om de uitleg van een aan het familierecht gelieerd contract (zoals een echtscheidingsconvenant of huwelijkse voorwaarden), dient ook in het familierecht met deze uitspraak van de Hoge Raad rekening gehouden te worden.

Maar al te vaak komt het voor dat partijen (aanstaande of ex-echtelieden) van mening (gaan) verschillen over de uitleg van een bepaling in de huwelijkse voorwaarden of een echtscheidingsconvenant. Wanneer de belangen dan uiteen lopen, dient de rechter er vaak aan te pas te komen om een oordeel te vellen. Met name als het desbetreffende contract jaren geleden is opgesteld en ten tijde van het opstellen daarvan niet duidelijk is vastgelegd (bijvoorbeeld in de considerans) wat de bedoeling van partijen daarbij was, ontstaat er wrevel. Want wie heeft er nu gelijk en waar let een rechter in zo’n situatie op?

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 februari 2014 (in rechtsoverweging 4.2.2) nogmaals beslissend geoordeeld de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit wordt ook wel het Haviltex-criterium genoemd, naar aanleiding van het arrest waarin de Hoge Raad voor het eerst deze zinsnede aanhaalde.

Zelfs al is (of lijkt) de tekst van een overeenkomst helder te zijn en zijn beide partijen bijgestaan door ter zake deskundige juridische adviseurs, dan nog kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van een overeenkomst moet worden gehecht. In een dergelijk geval zal de partij die zich op een (afwijkende) partijbedoeling beroept voldoende zijn stelling moeten motiveren en middels bewijs zijn gelijk aan moeten tonen. Dat blijkt in de praktijk niet altijd even makkelijk.

Het bereiken van overeenstemming vergt vaak dat beide partijen wat water bij de wijn moeten doen. Om de gemaakte afspraken zodanig te verwoorden dat beide partijen zich daarin kunnen vinden, worden de bepalingen van de overeenkomst soms met opzet ‘vaag’ gehouden. Indien in een dergelijk geval uit de considerans (de overwegingen) of uit de onderliggende correspondentie/gespreksverslagen niet voldoende blijkt wat de bedoeling van partijen bij een specifieke bepaling is geweest, valt dat jaren later moeilijk te achterhalen. Daar komt als complicerende factor bij dat, indien de onderhandelingen hebben plaatsgevonden via de advocaten van partijen, deze ‘confraternele’ correspondentie niet zomaar gebruikt kan worden in een procedure zonder voorafgaande toestemming van de wederpartij.

Het belang van het opnemen van de partijbedoelingen in de overeenkomst zelf kan dus niet genoeg benadrukt worden, of het nu huwelijkse voorwaarden, een echtscheidingsconvenant of een ander contract betreft. De Hoge Raad heeft ons hier nogmaals door middel van zijn arrest van 7 februari 2014 nadrukkelijk op gewezen.

_______________

(*1) Zie bijvoorbeeld ook Hoge Raad 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Ludiform/Mexx)