Opzegging door de werknemer

maandag, 1 oktober 2001

Vaste jurisprudentie

De Hoge Raad heeft in verschillende arresten beslist dat aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zware eisen moeten worden gesteld. In ieder geval moet het gaan om een ondubbelzinnige en duidelijke wilsverklaring gericht op de beëindiging van het dienstverband. Een emotionele uitbarsting in de trant van: "maak de ontslagpapieren maar klaar" wordt doorgaans onvoldoende gevonden. Ook onduidelijke of voor meerdere uitleg vatbare uitingen zullen niet als voldoende gelden.

Recente uitspraken

In een tweetal zeer recent gepubliceerde uitspraken (Kantongerecht te Amsterdam van 17 juli 2001 en President Rechtbank te Utrecht van 2 augustus 2001) is een opzegging door de werknemer aan de orde. De eerste uitspraak wekt meer verbazing dan de tweede.

Kantongerecht Amsterdam

Werknemer is 14 jaar in dienst bij een restaurant en in het verleden al aangesproken op drankgebruik tijdens en na het werk. Op een dag in april 2001 komt de werknemer dronken op het werk om nog diezelfde dag naar huis te gaan, zonder te hebben gewerkt. Enkele dagen nadien krijgt de werknemer zijn salaris uitbetaald, berekend tot de dag waarop hij dronken is verschenen en heeft hij afscheid van collega's genomen. Een maand later stelt de werknemer dat geen sprake is van beëindiging van het dienstverband en maakt hij aanspraak op loondoorbetaling. In de spoedprocedure die volgt, oordeelt de Kantonrechter dat de werkgever zich had moeten realiseren dat de werknemer door zijn dronkenschap niet ten volle besefte wat hij deed en de medewerker bovendien zijn rechten op een WW-uitkering zou verliezen bij ontslagname. De werkgever had zich er beter van moeten vergewissen dat de werknemer daadwerkelijk een beëindiging van het dienstverband nastreefde en niet mogen aannemen dat de ontvangst van het loonsaldo en het afscheid nemen van collega's afdoende zou zijn. Vanaf de datum van loonaanspraak in mei 2001 wordt de werknemer loon toegekend tot de beëindigingsdatum van het dienstverband.

President Rechtbank Utrecht

Werknemer wordt (naar later blijkt ten onrechte) verdacht van sexuele intimidatie. Bij gelegenheid van een indringend gesprek met een drietal bestuursleden van de stichting -werkgever- waarbij gedreigd wordt met een gerechtelijke procedure en het inschakelen van de politie, tekent de werknemer een door de werkgever tevoren opgestelde opzeggingsbrief, inhoudend dat de werknemer het dienstverband opzegt. Geen gelegenheid werd geboden tot het inschakelen van een raadsman of het nemen van een zodanige hoeveelheid tijd dat de werknemer zijn beslissing goed kon overwegen. De President acht het onder de geschetste omstandigheden onjuist om de werknemer te houden aan zijn ontslagname en veroordeelt de werkgever tot loondoorbetaling.

Conclusie

De meest voor de hand liggende conclusie is dat de werkgever niet te snel moet denken dat de werknemer het dienstverband heeft opgezegd en dat de loondoorbetaling kan worden gestaakt. Een duidelijke, expliciete en ondubbelzinnige opzeggingsbrief van de hand van de werknemer zelf verdient altijd de voorkeur. De werkgever moet rekenen met emotionele of onbezonnen opwellingen dan wel met een werknemer die de draagwijdte van zijn beslissing niet kan overzien. Werkgevers die denken voordeel te hebben bij enige eigenlijke of oneigenlijke pressie op een werknemer zullen eveneens een groot risico lopen uiteindelijk het onderspit te moeten delven.

 

 

Auteur