Op het snijvlak van verdelen en verrekenen

maandag, 8 maart 2010

Vorig jaar werd in de literatuur enkele malen de aandacht van de lezer gevraagd voor een moeilijk probleem: hoe moet worden geoordeeld als enerzijds sprake is van een periodiek verrekenbeding, waar partijen geen uitvoering aan hebben gegeven en anderzijds van mede-eigendom.

Die mede-eigendom kan bestaan doordat een woning behoort tot een beperkte of een eenvoudige gemeenschap van goederen. Het probleem kan ook bij samenwonenden bestaan, die in hun samenlevingsovereenkomst een verrekenbeding hebben opgenomen en samen een woonhuis in eigendom hebben. Het hierna te noemen voorbeeld kan zich derhalve voordoen bij samenwonenden en bij gehuwden, mits het te verdelen object op enigerlei wijze gemeenschappelijk is en in een samenlevingsovereenkomst of in huwelijkse voorwaarden een periodiek of finaal verrekenbeding is opgenomen. Het probleem kan het best duidelijk worden gemaakt aan de hand van een voorbeeld.

Casus

Man en vrouw zijn in 1990 onder huwelijkse voorwaarden met een periodiek verrekenbeding gehuwd. In 1995 zijn zij gezamenlijk eigenaar geworden van de echtelijke woning, die zij toen kochten voor € 300.000,-. Omdat de vrouw uit inkomen € 75.000,- en de man eveneens uit inkomen € 225.000,- had gespaard, besloten zij dat de vrouw voor ¼ en de man voor ¾ deel eigenaar zou worden van de woning. Op 1 februari 2006 wordt een echtscheidingsverzoek bij de rechtbank ingediend. Op dat moment is de woning € 600.000,- waard. Vervolgens wordt de echtscheiding op 1 juli 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Op dat moment is de woning € 700.000,- waard. Partijen zijn het erover eens dat de woning wordt toegedeeld aan de man. Zij hebben geen overeenstemming over de verdeling van de overwaarde van de woning. Welk bedrag komt de vrouw toe en hoe zou het aan haar toekomend bedrag moeten worden vastgesteld?.

Uitwerking voorbeeld

Als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over het bedrag dat de vrouw uit verrekening respectievelijk verdeling toekomt, geldt als peildatum voor de verrekening 1 februari 2006. Dat blijkt voor een finaal verrekenbeding uit art. 1:142 lid 1 BW en voor periodiek verrekenbeding uit art. 1:141 lid 2 BW. Nu de waarde van de woning volledig het resultaat is van het beleggen van overgespaarde inkomsten in die woning, komt per 1 februari 2006 aan de vrouw een bedrag van € 300.000,- toe. Van geen belang lijkt mij de vraag of de man dan wel de vrouw een groter bedrag heeft belegd in de woning. In beide gevallen betreft het immers belegging van overgespaarde inkomsten, die gelijkelijk verdeeld hadden moeten worden. Daar denkt Breederveld (EB 2009, 25 op p. 64) anders over.

En welk bedrag komt de vrouw op 1 juli 2007 toe ter titel van verdeling? Recht toe recht aan toepassing gevend aan art. 3:166 lid 2 BW zou per 1 juli 2007 geconcludeerd moeten worden dat de vrouw ¼ van € 700.000,- zou toekomen, te weten € 175.000,-. Ik zou echter menen dat dat bedrag is vervat in de verrekenvordering die de vrouw op 1 februari 2006 te gelde heeft kunnen maken, zodat zij geen recht heeft op het uit de overwaarde voortvloeiende bedrag van € 175.000,-. Verrekenen gaat in zo’n geval voor verdelen. Daarvoor voer ik twee juridische argumenten aan: het eerste argument is gebaseerd op de bedoeling van partijen bij het overeenkomen van het verrekenbeding. Hun bedoeling is geweest dat onverteerde inkomsten zouden worden verdeeld of verrekend volgens de beleggingsleer. Gevolg daarvan is in deze casu dat beide partijen bij echtscheiding over de helft van de waarde van het vermogen beschikken. Aan die bedoeling zou geen recht worden gedaan als de vrouw ten titel van verrekening recht zou krijgen op € 300.000,- en ten titel van verdelen nog eens op (¼ deel van € 700.000,- zijnde) € 175.000,-, waardoor zij een grotere aanspraak zou kunnen maken op de waarde van de woning dan de man. Helemaal dol zou het zijn als de eigendomsverhouding zou zijn geweest wat meestal voorkomt, te weten ieder de helft. In dat geval zou de vrouw in dit voorbeeld recht kunnen doen gelden op € 300.000,- ten titel van verrekening en € 350.000,- ten titel van verdeling, zodat aan haar een vermogenswaarde zou toekomen van € 650.000,- en aan de man een waarde van € 50.000,-. Dat kan niet de bedoeling van partijen zijn geweest.

Hier bestaat bovendien een tweede probleem, te weten dat van peildata. Zolang het thans bij de Eerste Kamer liggende wetsvoorstel 28 867 geen wet is, liggen die peildata immers uit elkaar. Zoals hiervoor is aangegeven is de peildatum voor verrekening 1 februari 2006 en voor verdeling (nu partijen het erover eens zijn dat de woning wordt toegedeeld aan de man) in zijn algemeenheid 1 juli 2007. Die peildatum geldt in de regel, maar de redelijkheid en billijkheid kunnen een andere datum van waardebepaling vergen. Dat blijkt ook uit twee beschikkingen van het Hof Arnhem 21 oktober 2008 (LJN: BG3949) en 16 december 2008 (LJN: BH5063). In het gegeven voorbeeld vergt de redelijkheid en billijkheid naar mijn mening dat bij de toedeling van de woning aan de man als peildatum heeft te gelden de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend.

In het geval de bedoeling van partijen noch de redelijkheid en billijkheid vergen dat de vrouw genoegen moet nemen met € 300.000,-, zou kunnen worden geredeneerd dat goederenrechtelijk als volgt moet worden afgerekend: € 700.000,- minus de verrekenvordering van partijen ter grootte van € 600.000,- staat ter beschikking van partijen. Volgens art. 3:166 lid 2 BW komt aan de vrouw ¼ of € 25.000,- toe. In totaliteit ontvangt de vrouw dan € 325.000,-.