Onverschuldigd betaald aan een failliet – en dan?

donderdag, 29 januari 2015

Indien tijdens faillissement onverschuldigd aan de failliet wordt betaald, dan leidt dit in beginsel tot een vordering op de boedel. Deze vordering zal pas worden afgewikkeld bij beëindiging van het faillissement. Als de betreffende betaling echter berust op een zgn. onmiskenbare vergissing, dan is de curator verplicht mee te werken aan het ‘ongedaan’ maken van die vergissing.

Die verplichting bestaat slechts wanneer tussen de betaler en de failliet geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan die de betaler, de failliet of diens curator aanleiding kon geven te veronderstellen dat mogelijk wel een rechtsgrond bestond voor de betaling. In dat geval valt voor geen van de betrokkenen te miskennen dat de betaling bij vergissing is verricht. Een voorbeeld.

Stel dat u een factuur van A per ongeluk aan B betaalt, dan zal uit de door u aan de curator van B te tonen stukken moeten blijken dat die betaling het gevolg is van een vergissing ten aanzien van de persoon aan wie moest worden betaald. Dat zal in dat geval vrij eenvoudig zijn, omdat het door u betaalde bedrag zal zijn te herleiden naar een factuur van en/of overeenkomst met A (en dus niet B).

Recente rechtspraak

Niettemin zijn ook situaties denkbaar waarin het (in elk geval voor de curator) niet duidelijk is of verrichte betalingen berustten op een onmiskenbare vergissing. Een goed voorbeeld daarvan is een vrij recente uitspraak van de Hoge Raad met betrekking tot, kort gezegd, de betaling van persoonsgebonden budgetten (PGB’s) door CZ aan het failliete Raad en Daad, een instelling voor thuisbegeleiding.

In die kwestie kwam eerst het gerechtshof, en later ook de Hoge Raad, tot de conclusie dat voor de curator van Raad en Daad niet onmiskenbaar sprake was van een vergissing. De conclusie was dan ook dat de curator van Raad en Daad niet verplicht was mee te werken aan het ‘ongedaan’ maken van de door CZ na datum faillissement aan Raad en Daad betaalde bedragen.

Uitzondering

Het voorgaande geldt niet voor bedragen die reeds (kort) vóór datum faillissement onverschuldigd werden betaald. Weliswaar zijn ook die betalingen zonder rechtsgrond verricht, maar de curator mag deze betalingen niet ‘ongedaan’ maken. Deze vorderingen moeten worden aangemerkt als reguliere concurrente vorderingen, welke ter verificatie bij de curator kunnen worden ingediend.

Conclusie

De vraag of sprake is van een onmiskenbare vergissing is niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Er zijn tal van situaties denkbaar, met name situaties waarin sprake is van driepartijverhoudingen, waarin het nog maar zeer de vraag is of betalingen kunnen worden aangemerkt als onmiskenbare vergissingen en derhalve van de curator kunnen worden teruggevorderd.

De advocaten van BANNING hebben uitstekende kennis van onverschuldigde betaling en – meer algemeen – girale betaling rondom faillissement. Heeft u vragen over het voorgaande of denkt u na over advies in een concreet geval, neem dan vrijblijvend contact op met Lars Krieckaert of Sanne Jansen.