Ontwikkelingen in het internationaal erfrecht: de Europese erfrechtverordening

dinsdag, 7 april 2015

Op 23 februari 2015 heeft de Rechtbank Gelderland een uitspraak gedaan over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter bij een nalatenschap die in het buitenland is opengevallen. Verzoekers hebben in deze zaak de Rechtbank verzocht een vereffenaar te benoemen in een nalatenschap die is opengevallen in België. De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht, omdat sprake is van een verzoekschriftprocedure en ten minste één van de verzoekers woonplaats in Nederland heeft.

De Rechtbank overweegt dat volgens artikel 268 Rv bij nalatenschappen de rechter van de laatste woonplaats van de overledene bevoegd is. Omdat dit België is, kan de Rechtbank Gelderland, hoewel één van de verzoekers in dat arrondissement woont, geen relatieve bevoegdheid ontlenen aan bovenstaand artikel. Wat dan overblijft is de restbepaling van artikel 269 Rv. Hierin is bepaald dat bij gebreke van een (andere) bevoegde rechter, de Rechtbank Den Haag bevoegd is. De Rechtbank Gelderland is dan ook voornemens om de zaak te verwijzen naar de Rechtbank Den Haag.

Bij gebreke van op bovenstaande zaak van toepassing zijnde internationale verdragen wordt de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beantwoord aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het internationale erfrecht staat echter op het punt te veranderen. Op 17 augustus 2015 zullen de bepalingen van de Europese erfrechtverordening in werking treden. Deze verordening introduceert geharmoniseerde regels in de Europese Unie ten aanzien van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging op het terrein van het internationaal erfrecht. De verordening is van toepassing op de erfopvolging van personen die komen te overlijden op of na 17 augustus 2015.

De hoofdregel uit de verordening over rechtsmacht en toepasselijk recht is dat het gerecht van de lidstaat bevoegd is/ het recht van de lidstaat van toepassing is, waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn ‘gewone verblijfplaats’ had. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken door een rechtskeuze te maken en deze uitdrukkelijk in de vorm van een uiterste wilsbeschikking vast te leggen. Er kan slechts een keuze worden gemaakt voor het recht van de staat, waarvan een persoon op het tijdstip van de rechtskeuze of het tijdstip van overlijden de nationaliteit bezit. Dit houdt in dat indien u voor Nederlands erfrecht kiest, na uw overlijden het Nederlandse recht van toepassing is zolang u de Nederlandse nationaliteit bezit, ook als u ten tijde van het openvallen van de nalatenschap in een andere EU-lidstaat woonachtig bent.

Ander toepasselijk recht kan grote gevolgen hebben voor de wijze waarop de nalatenschap moet worden afgewikkeld.

Indien u meer wilt weten over de Europese erfrechtverordening en de gevolgen ervan voor uw nalatenschap, neem dan vrijblijvend contact op.

Zie uitspraak Rb. Gelderland 23 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:1455
Zie Europese Erfrechtverordening